Les 40 – De profetische Boeken

XI. VERVULDE PROFETIEËN BETREFFENDE OMRINGENDE VOLKEN

1. Tyrus – Ezechiël 26:7-11
Na de beschrijving van de wraak die de koning van Babel zou nemen op Tyrus, vervolgt de profeet: “… en uw stenen, en uw hout, en uw stof zullen zij in het midden der wateren werpen … gij zult niet meer gebouwd worden” (Ezechiël 26:12-14).

Voorafgaande aan de val van hun oude stad, hebben de inwoners van Tyrus het grootste deel van hun schatten overgebracht naar een eiland dat in hun bezit was, ongeveer 750 meter van de kust. Geen poging werd gedaan om de oude stad te herbouwen, nadat het Babylonische leger zich had teruggetrokken, maar de ruïnes bleven staan. Toen Alexander de Grote kwam en de burgers weigerden hun stad aan hem over te geven, besloot hij een stevige dam in de zee te bouwen, om haar zo in te kunnen nemen. Elk overblijfsel van de oude stad werd neergehaald en in de zee geworpen, en de vraag naar materiaal was zo groot, dat zelfs het kleinste stofje schijnt te zijn geschraapt van de oude bodem. 

Ofschoon eeuwen waren voorbijgegaan, nadat het woord was gesproken, werd het letterlijk vervuld. De stad werd nimmer herbouwd en de plaats waar zij zich eens bevond, bleef tot de huidige dag “een gladde steenrots” (Ezechiël 26:4, 14).

2. Sidon – Ezechiël 28:20-23
Van de naburige stad Sidon is eenzelfde lot voorzegd. “Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom” (Ezechiël 28:22, 23).

Geen oordeel van vernietiging werd uitgesproken over Sidon, maar er zou een vreselijk bloedbad in haar plaats hebben. Dit is maar al te zeer werkelijkheid geworden in de gruwelen die over het ongelukkige land gekomen zijn. Onder de Perzen staken 400.000 burgers hun huizen in brand en kwamen liever in de vlammen om, dan zich te onderwerpen. Telkens weer vloeide er bloed in haar straten, zelfs nog in 1840, toen de plaats werd veroverd door admiraal Napier. Maar Sidon (de naam is nu Saïda) bestaat nog steeds en telt vandaag circa 200.000 inwoners.

Als de profetieën betreffende Tyrus en Sidon omgekeerd waren, hoe onvolledig zou dan de weerlegging van Ezechiëls aanspraak geweest zijn dat hij het Woord des Heeren sprak.

XII. VERVULLING VAN PROFETIEËN BETREFFENDE CHRISTUS

Vele profetieën betreffende het leven, de dood, de opstanding en de hemelvaart van Christus zijn op de meest letterlijke wijze in vervulling gegaan. “Het getuigenis van Jezus is de geest der profetie” (Openbaring 19:10). “In de boekrol is over Mij geschreven” (Psalm 40:8). Er is slechts één boek en slechts één Persoon waarop deze woorden van toepassing zijn.

Een volmaakt beeld van de Messias, Die komen zou, is voor ons getekend in al zijn bijzonderheden in de profetieën van het Oude Testament. Een volmaakt beeld van Zijn leven is gegeven in de historische verslagen van het Nieuwe Testament. Leg deze twee portretten naast elkaar en u zult zien dat zij volkomen met elkaar corresponderen. Er kan geen geheim overleg tussen de schrijvers geweest zijn, want zij zijn gescheiden door het stilzwijgen van 400 jaar. Het Oude Testament geeft een portret van Degene, Die gekomen is. De hand die deze beide portretten getekend heeft, moet Goddelijk geweest zijn. Deze onweerlegbare conclusie is tweevoudig: het leidt ons tot

1) de aanvaarding van de profetische Schriften als geïnspireerd; en tot
2) de aanvaarding van de historische Christus, in Wien al deze stralen samenkomen.

Hieronder geven wij een beknopt overzicht van de profetieën betreffende Christus in het Oude Testament, die vervuld zijn in het Nieuwe Testament. (Er zijn meer dan 300 profetieën, die Zijn eerste komst in de wereld voorspelden).

Oude TestamentNieuwe Testament
1. ZIJN VOOR-BESTAANMicha 5:1-2 – Jesaja 9:5 t/m 7Johannes 1:1, 2 – Johannes 8:58
2. ZIJN GEBOORTE
Wonderlijk, geboren uit een maagd
Jesaja 7:14Mattheüs 1:18-25
3. ZIJN NATUUR
God-Mens
Jesaja 7:14 – Jesaja 9:5, 6Lukas 1:26-33 – Johannes 10:10
4. ZIJN AFSTAMMING
a. Zoon van GodPsalm 2:7Mattheüs 3:17 – Johannes 1:84
b. Een HebreeërDeuteronomium 18:15Mattheüs 1:1
c. Zoon des Mensen (= “Adam”)Psalm 8:5 – Daniël 7:1382 x in het N.T.
d. Afstammeling van JakobNumeri 24:17Lukas 1:33
e. Afstammeling van JudaMicha 5:1, 2Mattheüs 1:1, 2 – Openbaring 5:5
f. Afstammeling van DavidJeremia 23:5, 6Mattheüs 1:1
Afstammeling van David door de lijn van Nathan – Lukas 3.
Erfgenaam van David door de lijn van Salomo – Mattheüs 1.
5. ZIJN NAMEN EN TITELS
a. Zoon van GodPsalm 2:7Lukas 22:70 – Hebreeën 1:8
b. HeerePsalm 110:1Lukas 2:11 – Handelingen 9:17
c. Immanuël (God met ons)Jesaja 7:14Mattheüs 1:23 – Titus 2:13
Johannes 20:28
d. De Eerste en de LaatsteJesaja 44:6Openbaring 22:12, 13, 16
6. ZIJN AMBTEN
a. ProfeetDeuteronomium 18:15Johannes 7:40
b. PriesterPsalm 110:4Hebreeën 5:5, 6; 3:1, 2
c. KoningZacharia 9:9 – Psalm 2:6Mattheüs 21:4-9 – Openbaring 11:15
d. RechterJesaja 33:222 Timotheüs 4:1
7. GELOOFSBRIEVEN MESSIAS
a. Voorgegaan door een herautMaleachi 3:1 – Jesaja 40:3Johannes 1:23 – Mattheüs 11:10
b. Werker van wonderenJesaja 35:5, 6
1. Ogen van blinden geopendJohannes 9:6-11
2. Oren van doven geopendMarkus 7:33-35
3. Lammen zullen springenJohannes 5:5-9
4. Stommen zullen sprekenMattheüs 9:32, 33
5. Doden opgewektJohannes 11:43, 44
8. TWEE KOMSTEN VAN DE MESSIAS EN DE TUSSENLIGGENDE PERIODE
a. Eerste komst
In nederigheid en verworpen
Jesaja 53
Jesaja 53:3
Johannes 1:23 – Mattheüs 11:10
Filippenzen 2:5-9 – Mattheüs 27
b. Tussenliggende periodePsalm 110:1 – Micha 5:2Lukas 21:24
c. Tweede komst in heerlijkheidZacharia 14:4-92 Thessalonicenzen 1:7 – Openb. 11:15
1. Verheerlijkt, doorboordZacharia 12:9, 10Johannes 19:34
2. Aangenomen door Zijn volkJesaja 25:6-9Mattheüs 23:39
9. DOEL VAN DE TWEE KOMSTEN
a. Eerste komst – (Ver)LosserLeviticus 17:11 – Jesaja 53:10Hebreeën 9:22 – 1 Petrus 2:24
Titus 2:14
b. Tweede komst – KoningZacharia 14:9-11Openbaring 11:15
10. WIJZE VAN DE TWEE KOMSTEN
a. Eerste komst – als een KindJesaja 9:5aLukas 2:7, 11
b. Tweede komst – als ZoonJesaja 9:5b – Daniël 7:13, 14Openbaring 1:7
11. TIJD VAN DE TWEE KOMSTEN
A. Eerste komst
Na de 69 jaarweken
Daniël 9:24-26Lukas 22:70 – Hebreeën 1:8
B. Tweede komst
1. Na 70 jaarwekenDaniël 9:24Mattheüs 24:29
2. Na Jakobs benauwdheidJeremia 30:7-10Openbaring 22:12, 13, 16
3. Voor Israëls herstelJesaja 11:11,12 – Amos 9:14,15Romeinen 11:26, 27
12. RESULTAAT TWEE KOMSTEN
A. Eerste komst
a. Israël verwerpt zijn Messias;
wordt verstrooid onder de volken;
Jeruzalem verwoest

Deuteronomium 28:64, 65
Jesaja 6:9-12
Hosea 3:4,5
Mattheüs 24:2
b. De uitroeping van de Gemeente als “volk voor Zijn Naam”Romeinen 11:15 – Handelingen 15:14
B. Tweede komst
(A) Voor de Gemeente
Opname en verheerlijking

1 Thessalonicenzen 4:13-18
1 Korinthe 15:51-54
(B) Voor Israël
a. Rouwklagen
b. Bekering
c. Reiniging
d. Bevrijding van Israël
e. Juda en Israël verenigd
f. Israël herverzameld in Kanaän
g. Israël tot een universele zegen

Zacharia 12:10
Jeremia 3:20-23 – Jesaja 53:1-9
Zacharia 13:1
Zacharia 14:1-4
Ezechiël 37:19, 22, 24
Jesaja 11:11, 12
Zacharia 8:13

Openbaring 1:7
Handelingen 5:31
Handelingen 5:31
Romeinen 11:26
Openbaring 7:4-8
Romeinen 11:26
Romeinen 11:12-15
C) Voor de wereld
a. Vernietiging der heidense wereldmachten
b. Het oordeel der volkeren
c. Het binden van Satan
d. Herstel van Davids troon
e. Oprichting Messiaanse Vrederijk

Zacharia 12:1-9
Jesaja 10:28-32
Joël 3:12-14

2 Samuël 7:12-17, Psalm 89, Hosea 3
Jesaja 11:1-10, Daniël 2:44,45, Psalm 2

Openbaring 16:13-16
Openbaring 19
Mattheüs 25:31-46
Openbaring 20:1-3
Lukas 1:31-33 – Handelingen 15:16
1 Korinthe 15:25 – Openbaring 20
13. VERRAAD, DO0D EN BEGRAFENIS
Verraden door een vriendPsalm 41:10Mattheüs 26:14, 15
Vals beschuldigdPsalm 35:11Mattheüs 26:59, 60
BespuwdJesaja 50:6Mattheüs 26:67
Stom voor beschuldigersJesaja 53:7Mattheüs 27:12
DoorboordPsalm 22:17Lukas 23:33 – Johannes 19:33, 34
BespotPsalm 22:8, 9Mattheüs 27:41, 43
Door God verlatenPsalm 22:2Mattheüs 27:46
Zijn beenderen niet gebrokenPsalm 34:21Johannes 19:33, 36
Zijn doodJesaja 53:51 Petrus 2:24 – Titus 2:14
Een bereidwillig offerPsalm 40:9Johannes 10:17
Door Zijn discipelen verlatenZacharia 13:7Mattheüs 26:31
Voor 30 zilverlingen verkochtZacharia 11:12, 13Mattheüs 26:15; 27:7
Gal te drinken gegevenPsalm 69:22Mattheüs 27:34
De kleding verdeeld en verlootPsalm 22:19Johannes 19:23, 24
Met de overtreders geteldJesaja 53:9Mattheüs 27:38
Zijn zijde doorstokenZacharia 12:10Johannes 19:34-37
Begraven met de rijkeJesaja 53:9Mattheüs 27:57-60

14. ZIJN OPSTANDINGPsalm 16:10
Jona 1:17
Mattheüs 28:5,6 – Lukas 24:1-7
Mattheüs 12:39, 40

15. ZIJN HEMELVAARTPsalm 110:1
Psalm 68:19
Lukas 24:50-53 – Johannes 3:13
Efeze 4:9
16. ZIJN WEDERKOMST
1. PersoonlijkJesaja 62:11Handelingen 1:11
2. ZichtbaarZacharia 14:4Openbaring 1:7
3. Met macht en heerlijkheidJesaja 59:19Mattheüs 24:30
4. Aangekondigd door EliaMaleachi 3:1Mattheüs 17:10, 11
5. Als Koning der koningenJesaja 2:1-5 – Micha 4:1-8Openbaring 20:1-6

XIII. DE GEMEENTE VERBORGEN IN DE PROFETIEËN

De Gemeente wordt in de profetische boeken niet expliciet geopenbaard. De aardse dienst, de dood, opstanding en wederkomst van Christus, zijn onderwerpen die in het “profetisch woord” behandeld worden. Maar Zijn doel, om gedurende Zijn verwerping door Israël een Gemeente uit de volkeren te vergaderen, was aan de oudtestamentische profeten niet geopenbaard. Dat was voor hen een “verborgenheid”. Zie Efeze 3:3-10. Het was de Heere Jezus Zelf, Die in Mattheüs 16:18 voor de eerste maal openlijk sprak over de bouw van Zijn Gemeente. De profetische boeken zijn weliswaar voor ons geschreven, maar zij handelen niet expliciet en rechtstreeks over ons.

XIV. BELANGRIJKE PUNTEN BIJ HET LEZEN VAN DE PROFETISCHE BOEKEN

1. Enige fundamentele kennis van de Israëlitische en Joodse geschiedenis is absoluut noodzakelijk om de uitspraken van de profeten te kunnen begrijpen.

2. Ook dienen wij iets te weten van de politieke en godsdienstige toestanden, die heersten in de tijden waarin de profeten optraden. Daartoe dienen wij zorgvuldig de geschiedenis van de koningen, die in een bepaalde periode regeerden, te lezen in de boeken der Koningen en Kronieken. Het eerste vers van Jesaja geeft ons bijvoorbeeld de namen van de vier koningen, die regeerden tijdens de dienst van de profeet Jesaja. Door de boeken 1 en 2 Koningen op te slaan en de verslagen van hun regeringen te lezen, kunnen wij ons een idee vormen van de boosheden die bestonden en waartegen Jesaja ageerde.

3. Bedenk dat de uitspraken van de profeten voor het merendeel gericht waren op vier punten in de geschiedenis:

  1. hun eigen tijd,
  2. de Babylonische ballingschap;
  3. de komst van de Messias en
  4. het Messiaanse (duizendjarig) vrederijk.

Het is alsof de profeet zich op een hoge bergtop bevond en van daaraf blikt in de toekomst en spreekt over wat hij ziet. Soms schijnt zijn blik gericht te zijn op zonden die in zijn tijd heersten. Vervolgens zal hij zijn blik werpen op de dag waarop het volk uit het land zal worden weggevoerd in Babylonische ballingschap. Daarna schijnt hij verder te blikken in de toekomst en spreekt hij over hun Messias. En soms blikt hij nog weer verder in de toekomst en spreekt hij over een heerlijke tijd van herstel en vrede over de gehele wereld.

Om de ware betekenis van de woorden van een profeet te begrijpen, moeten wij in elke persoonlijke uitspraak vaststellen op welke van deze vier gebeurtenissen hij zinspeelt. De taal van de profeet geeft dat soms al aan. De taal van Jesaja 53 kan bijvoorbeeld alleen maar betrekking hebben op de Messias. Lees Jesaja 53 en stel vast op welke van deze vier punten in de geschiedenis de profeet zinspeelt.

4. De profeten stellen Christus voor in een tweevoudig karakter: de lijdende Messias, zoals in Jesaja 53 en de heersende Messias, zoals in Jesaja 11. Deze tweevoudigheid, het lijden en de heerlijkheid, de zwakheid en de kracht, was voor de profeten zelf een onoplosbaar raadsel (zie 1 Petrus 1:8-12). De oplossing van dat raadsel ligt, zoals het Nieuwe Testament duidelijk maakt, in de twee komsten van Christus: de eerste komst om te verlossen door lijden en de tweede komst om te regeren in heerlijkheid. De lange interval tussen deze twee komsten was de profeten niet geopenbaard. Voor hen leek het alsof Zijn lijden en Zijn heerlijkheid gelijktijdig plaatsvonden.

XV. DE BESTUDERING VAN DE PROFETISCHE BOEKEN

U dient elk boek langzaam en nauwkeurig (liefst hardop!) te lezen en de onderwerpen die de profeet behandelt, afzonderlijk te noteren en daaronder het hoofdstuk en vers.

Voorbeeld: Jeremia begint te spreken over zichzelf. Dat geeft ons het eerste hoofd: “Jeremia”. Onder dat hoofd kunnen wij alles noteren wat de profeet in zijn boek over zichzelf zegt. Vervolgens worden zekere koningen genoemd: elk van deze namen vormen weer een hoofd voor notities. In 1:15 worden “Koninkrijken van het Noorden”, “Jeruzalem” en “Juda” genoemd. Op deze wijze kunnen wij het boek in zijn geheel doorlezen. 

Als wij dat gedaan hebben, dan zijn wij klaar voor de onderwerpsbestudering van het boek. Wat zegt de profeet over elk van zijn onderwerpen? Wat zegt hij over zichzelf? Wat van Jojakim? Wat van Zedekia? Wat van de Koninkrijken van het Noorden? Wat van Jeruzalem?, enz., enz. U zult ontdekken, dat de vragen voor zelfstudie bedoeld zijn om uw kennis aangaande deze dingen te testen.

XVI. INDELING DER PROFETISCHE BOEKEN

Het Oude Testament bevat zestien profetische boeken. De verdeling in “Grote” en “Kleine Profeten” (zoals in onze Bijbel) is onwetenschappelijk en misleidend. 

Omdat de ballingschappen van Israël en Juda het voornaamste onderwerp zijn van de oudtestamentische profeten, kunnen wij ze het best verdelen in profeten van:

  1. vóór de ballingschap
  2. tijdens de ballingschap
  3. ná de ballingschap.

Daarnaast kunnen we ze nog weer onderverdelen in profeten van Israël (10-stammenrijk) en profeten van Juda (2-stammenrijk) als volgt:

Voor de ballingschaptijdens de ballingschapna de ballingschap
A. Profeten van Israël
(10-stammenrijk)
1. JonaEzechiël
2. Amos
3. Hosea
B. Profeten van Juda
(2-stammenrijk)
1. ObadjaDaniëlHaggaï
2. JoëlZacharia
3. JesajaMaleachi
4. Micha
5. Nahum
6. Habakuk
7. Zefanja
8. Jeremia

DE PROFETISCHE BOEKEN

I) DE PROFETEN VAN VÓÓR DE BALLINGSCHAP

De profeten van vóór de ballingschap, beginnende met Obadja tijdens de regering van Athalia, omvatten een periode van ongeveer 230 jaren – van ongeveer 840 v. Christus tot ongeveer 609 v. Christus.

 Gedurende deze periode werd het Samaritaanse- of tien-stammenrijk (door de profeten “Israël” of “Efraïm” genoemd, of zelfs “Jozef” of “Izak”), verwoest. De gehele periode kenmerkte zich door toenemend ongeloof, door verregaande afgoderij en door vele verdrukkingen als gevolg van de kastijdende hand van God. De opwekkingen in Juda onder Uzzia, Hizkia en Josia – deels godsdienstig, deels politiek – blijken oppervlakkig geweest te zijn en nimmer wortel geschoten te hebben in het geweten en het geloof van het volk.



Naar Les 41 – Het Boek Jona