Les 43 – Het Boek Hosea

VIII. GEBRUIKTE NAMEN IN DE PROFETIEEN VAN HOSEA

Het zal u opgevallen zijn dat in deze profetieën veel namen gebruikt zijn, zowel van personen als plaatsen. Dit bewijst hoe nauwkeurig God Zijn volk kende en de plaatsen waar hun harten naar uitgingen. Zij hadden dan ook geen enkele verontschuldiging, want God noemde – bij wijze van spreken – man en paard. De namen hebben meestal symbolische betekenis en daarom is het goed er enige aandacht aan te besteden.

A. PERSOONSNAMEN

1. JIZREËL (1:4, 5, 11; 2:21).

Deze naam moest Hosea geven aan de zoon, geboren uit zijn verbintenis met Gomer, een dochter van Diblaïm. Gomer is de “volkomene”, die in haar hoererij tot het uiterste gaat, de maat dezer zonde vol maakt. Diblaïm betekent: “vijgenkoeken” en wijst op iemand die geheel overgegeven is aan zinnelijke lusten. Jizreël, de naam van de zoon, betekent in de eerste plaats: “God zal (ver)strooien” (Jeremia 31:10) en in de tweede plaats: “God zal zaaien” (Zacharia 10:9). Dit is wat we in deze profetieën vinden. Jizreël, het vruchtbare veld, was verontreinigd met bloed (zie 1 Koningen 21:19; 2 Koningen 9:21; 10:7-14). Daar zou Gods oordeel komen (1:5) en Israël zou verstrooid worden onder de volkeren. Maar wanneer straks Gods plan zijn voltooiing nadert, dan zal Hij Israël alsnog oogsten en in eigen land brengen (2:21, 22).

Opmerking: Hoewel Jehu door God gebruikt werd om zijn eigen oordeel over het huis van Achab te volvoeren, werd hij toch zelf schuldig, omdat hij niet Gods eer op het oog had, maar zichzelf; later voerde hij immers de afgoderij weer in en als gevolg daarvan moest ook het oordeel over zijn eigen huis komen.

2. EFRAïM

Deze naam komt 35 maal in Hosea voor. Hij was de jongste van de twee zonen van Jozef (zie Genesis 41:50-52). Toen Jakob deze zonen zegende, bleek dat Efraïm – hoewel niet de oudste – naar Gods bestel groter zou worden dan Manasse; en zijn nageslacht zou een volheid van volken worden (Genesis 48:18-20; Romeinen 11:25).

Uit 1 Koningen 11 en 12 wordt ons duidelijk hoe God na Salomo’s dood het rijk verdeelt; 10 stammen vielen van het huis van David af, zodat Rehabeam slechts regeerde over de twee stammen van Juda en Benjamin. Onder deze twee was Juda de overheersende en zo werd dit gedeelte kortweg Juda genoemd. In het rijk der 10 stammen – Israël – was Efraïm niet alleen de volkrijkste stam, maar ook de drager van het eerstgeboorterecht en dus van de titel. Daarom werd dit gedeelte van het rijk dikwijls Efraïm genoemd, maar gewoonlijk en met recht Israël.

B. PLAATSNAMEN

1. HET DAL VAN JIZREËL (1:5)

We zagen reeds hoe deze plaats verontreinigd was door bloed; op diezelfde plaats zou Israëls boog, zijn sterkte, verbroken worden en van daaruit werden zij gevankelijk weggevoerd naar Assyrië (zie 2 Koningen 17).

2. HET DAL VAN ACHOR, een deur der hoop (2:14). (Vgl. Jozua 7:24-26)

Daar werd de toorn des Heeren gestild over de zonde van Achan; de ban werd uit hun midden weggedaan, en zo was er weer hoop op zegen. Dat zal altijd het geval zijn, waar de zonde wordt weggedaan.

3. GILGAL (4:15; 9:15; 12:12). Vgl. Jozua 5:7-12

Daar werd het volk besneden en de smaad van Egypte van hen afgewenteld; daar aten zij het overjarig koren van Kanaän en hield het manna op; daar hielden zij het Pascha (4:15). Wie ontucht wil bedrijven, moet dus niet naar Gilgal gaan, want daar reinigt besnijdenis van de zonde en wijdt men zich aan de dienst van God (9:15 en 12:12). Maar helaas, juist aan deze plaats, waaraan zulke heilige herinneringen verbonden waren, brachten zij hun zonden en offerden er op hun altaren (Richteren 3:19).

4. BETH-AVEN (4:15; 5:8; 10:5,8)

Is het huis der misdaad, de ontaarding van Bethel, het huis Gods (zie Genesis 28), vanwege de kalverdienst, die door Jerobeam was ingesteld (1 Koningen 12:25 tot 13:1).

5. MIZPA (5:1).

In Genesis 31:49 vinden we de betekenis: “Dat de Heere opzicht neme tussen mij en tussen u”; en in Richteren 20:1 en 1 Samuël 7:5-16 vinden we Mizpa als een plaats waar men zich tot de Heere vergaderde. Daar riep Samuël het volk bijeen om voor hen te bidden, nadat de afgoden waren weggedaan. Toen werden de Filistijnen verslagen. Nu werden koningen en priesters door hun afgodendienst tot een strik voor het volk.

6. THABOR (5:1)

Een berg ten Noordoosten van de vlakte van Jizreël, waarvan Psalm 89:13 zegt dat hij jubelde in de Naam des Heeren. Vanaf de top van deze berg trok Barak op tegen de benden van Sisera en versloeg ze (Richteren 4:6-15). En op deze berg waren de koningen en priesters geworden tot een uitgespannen net; daar werd het volk gelokt tot het verderf van de afgoderij.

7. GIBEA EN RAMA (5:8; 9:9; 10:9)

Steden van de stam van Benjamin. Beide worden genoemd in de geschiedenis van Richteren 19 en 20. Welk een diep verderf werd daar in Gibea openbaar; en in die zonde is Israël gebleven, hetzij in vleselijke of geestelijke zin. Op die plaatsen moest de bazuin geblazen worden om te waarschuwen tegen het naderend verderf.

8. ASSUR (5:13; 7:11; 8:9; 9:3; 10:6; 11:5 en 11; 12:2 en 14:4)

9. EGYPTE (2:14; 7:11; 8:13; 9:3 en 6; 11:1, 5 en 11; 12:2 en 14)

Assur en Egypte worden dikwijls genoemd in deze profetie. Uit de profetie van Jesaja, de tijdgenoot van Hosea, blijkt dat het volk in zijn afval van God, hulp zocht bij de vreemden. Zie 2 Koningen 16; Jesaja 31:1-3 en Jesaja 30:1-5. Maar in plaats dat deze hulp baatte, werden Efraïms krachten verteerd door de vreemden (zie Hosea 7:8-9). Zulk een optreden moest de toorn van God opwekken. Kon Hij hen niet verlossen als in de dagen van ouds? Maar zij steunden niet meer op Hem, maar op politieke berekening.

10. GILEAD (6:8 en 12:12)

Stad en land ten Oosten van de Jordaan. Vergelijken we Genesis 37:25 met Jeremia 8:22 en 46:11, dan was Gilead een plaats van waaruit balsem werd uitgevoerd tot genezing en waar heelmeesters woonden. En nu was deze plaats geworden tot een stad van ongerechtigheid en misdadigers.

11. SICHEM (6:9)

Uit Jozua 21:21 blijkt dat Sichem een stad van priesters was. Wat had men van zulk een stad niet mogen verwachten? Maar op de weg van Samaria naar Sichem traden de priesters, eenmaal door Jerobeam voor zijn afgodendienst aangesteld, op als een troep bandieten en moordenaars.

12. SAMARIA 7:1; 8:5 en 6; 10:5 en 7; 14:1)

Was de hoofdstad van het tien-stammenrijk. Als zodanig was het ook de hoofdzetel van het bederf der afgoderij, dat over Israël was uitgestort. Men lette maar eens op de uitdrukking:

13. “HET KALF VAN SAMARIA” (8:5 en 6; 10:5)

Geen wonder dat Gods oordeel over deze weerspannige stad moest komen.

14. MEMPHIS (MOF) (9:6)

Dit was de hoofdstad van Beneden-Egypte. Wanneer men als gevolg van een inval der Assyriërs de wijk nam naar Egypte, dan zou men daar wel ontvangen worden, maar de straf zou zijn dat men ook daar begraven werd en dus het land der vaderen niet weerzag.

15. TYRUS (9:13)

Dit was eeuwenlang de meest beroemde handelsstad der Feniciërs. Uit Jesaja 23 en Ezechiël 26-28 blijkt dat hoogmoed en zelfverheffing de zonde was, waarvoor God haar moest straffen. Hoe treurig is het daarom dat Efraïm bij deze stad vergeleken moest worden.

16. BETH-ARBEL (10:14)

De naam betekent: “Huis van de hinderlaag van God”. Vermoedelijk was het een stad aan de westoever van het meer Genesareth. Gelijk deze stad door Salman (Salmanassar, de Assyrische koning) verwoest werd (waarschijnlijk onder koning Hosea, zie 2 Koningen 17:1-3), zo zal geheel Israël verwoest worden.

17. BETHEL (10:15; 12:5)

Wat waren aan deze plaats heilige herinneringen verbonden (zie Genesis 28:12 en 19; 35:7, 14 en 15). En nu was het de plaats geworden, van waaruit de afgodendienst over het gehele volk verbreid was.

18. ADAMA EN ZEBOÏM (11:8)

Steden die behoorden tot het gebied van Sodom en Gomorra (zie Genesis 10:19; 14:2, 8 en Deuteronomium 29:23), die door een Godsoordeel vernietigd werden (Genesis 19). Hoe zwaar was Israëls zonde, dat zij dezelfde straf verdiend hadden; maar hoe groot ook Gods barmhartigheid, dat Hij hen niet kon overgeven aan zulk een gericht.

19. SYRIË (12:13)

Wordt hier genoemd in verband met de geschiedenis van Jakob, toen hij naar Haran in Mesopotamië trok, om daar als een arme knecht te dienen om een vrouw. Hoe hoog had God Israël verheven en hoe weinig hadden zij daaraan beantwoord!

20. LIBANON (14:6 en 8)

Dit gebergte was bekend om zijn hoogte, zijn rijkdom aan geurige kruiden en de wijn. Dat wilde God ook geven aan Israël, als zij zich tot Hem wilde bekeren.

IX. PROFETIEËN BETREFFENDE CHRISTUS

1. De Messias
De zinspelingen op de Messias zijn in dit boek duidelijk. Zowel Paulus als Petrus tonen ons dat de profetie van 1:10 vervuld is in Christus (1 Petrus 2:10; Romeinen 11:25 en 26). In hoofdstuk 3:4 vinden we de tegenwoordige toestand van Israël beschreven. “Zonder koning en zonder vorst, en zonder offer … en zonder efod” – het teken van een priester – omdat zij hun Koning, hun ware Priester, naar de ordening van Melchizedek, verworpen hebben en het offer dat Hij gebracht heeft nog steeds verwerpen. En aan de andere kant zijn zij ook “zonder opgericht beeld en zonder terafim”, want zij zijn vrij van afgodendienst. Het volgende vers beschrijft hun heerlijke toekomst, wanneer zij zich zullen bekeren tot de Heere, hun God, en David, hun koning – de Heere Jezus Christus.

2. De opstanding van Christus
Hoofdstuk 6:2 “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven”. De opstanding van Christus en onze opstanding in Hem kon niet duidelijker worden voorzegd. De profeet noemt uitdrukkelijk twee dagen, waarna leven zou worden gegeven, en een derde dag, waarop de opstanding zou plaats hebben. Lees vers 3 “Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands”. Hij, Die als de dageraad zal uitgaan uit het graf is Dezelfde, Die tot ons zal komen, om ons uit de dood tot het leven te wekken. Hoe deze verzen tevens betrekking hebben op het herstel van Israël, hebben wij reeds eerder aangetoond.

3. Uit Egypte geroepen
“Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen” (11:1 ). Dit had een eerste vervulling in Israël, als een type van Christus. De werkelijke vervulling had volgens Mattheüs 2:15 plaats in Christus, de Eniggeboren Zoon van God.

4. Eén Redder
“Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde” (11:4). Christus trok ons met koorden van een mens, want om onzentwil is Hij mens geworden en stierf Hij voor ons. Zie Johannes 12:32. “Een Verlosser buiten Mij is er niet” (13:4). Vergelijk Mattheüs 1:21 en Handelingen 4:12. “Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood?” (13:14). Het woord vertaald door “verlossen” betekent “loskopen” door de betaling van een prijs. Het woord, vertaald door “vrijmaken”, is een zinspeling op de “losser” of “goël”, die het recht heeft om het verloren gegane bezit van zijn naaste bloedverwant terug te kopen door de betaling van de prijs. Beide woorden beschrijven nauwkeurig, wat de Heere Jezus voor ons heeft gedaan. “Dood! waar zijn uw pestilentiën? hel! waar is uw verderf?” is een overwinningskreet bij de beloofde verlossing, toen Christus, opgewekt uit de doden, de Eersteling werd van degenen, die ontslapen zijn. Vergelijk 1 Korinthe 15:55.

X. OPMERKING

Hoererij en ontucht. Het is duidelijk dat het zich in hoererij afwenden van de Heere, (1:2) in de eerste plaats “geestelijke hoererij” was, namelijk afval van God tot de afgodendienst (zie Exodus 34:15). Maar dat lichamelijke hoererij en ontucht daarmee nauw verband hielden, hebben we reeds eerder gezien bij het overzicht van de algemene toestand van het volk. En dat verwondert ons niet wanneer we weten hoe diep de volken van Kanaän in deze zonden gevallen waren (zie Leviticus 18:27-28).

Bij deze en meer andere volken was het niet alleen de gewone hoererij, maar men had daar ook godsdienstige hoererij; mannen en vrouwen die zich in de dienst van de ene of andere godheid aan ontucht prijs gaven. Zulken werden “gewijden” genoemd en gaven het loon, dat zij met de ontucht verdienden, ten dienste van de afgoden. In de Heilige Schrift werden zulke “gewijden” hoeren en schandjongens genoemd (Deuteronomium 23:17) en het aan de goden geofferde loon “hoerenloon” en “hondenprijs” (Deuteronomium 23:18). Ondanks de vele waarschuwingen in de wet en van de profeten drong dit kwaad toch in Israël door.

Uit 1 Koningen 3:16 blijkt dat de hoeren als een eigen stand onder het volk leefden (zie ook 1 Koningen 22:38 en Jeremia 5:7). En dat er hoeren en schandjongens waren, leren wij uit plaatsen als 1 Koningen 14:24; 15:12 en 22:47. Ja, het ging zelfs zo ver, dat voor deze in en voor ontucht levende mensen eigen woningen waren ingericht op het terrein van de tempel des Heeren (zie 2 Koningen 23:7). Zo werd deze zonde met een godsdienstig vernisje bestreken en het volk gemakkelijker verleid.

Wanneer men in aanmerking neemt dat hoererij en ontucht de mens ongevoelig maken voor de hogere geestelijke dingen, dan verwondert ons de last van de profeet, om een ontuchtige vrouw te nemen, volstrekt niet.



Naar Les 44 – Het Boek Obadja