Les 68 – De Brief aan de Galaten

Deel IV – Rechtvaardiging door het geloof, zonder de wet – Galaten 2:15-3:24

Deze verdediging van het Evangelie der genade wordt in vijf stukken verdeeld:

1. Galaten 2:15-18

Zo iemand de hoop mocht koesteren om door de wet gerechtvaardigd te worden, dan toch zeker de Jood. Maar zelfs de Joodse christenen wisten dat men niet gerechtvaardigd wordt door de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus (vs. 15, 16). 

Hebt u wel opgemerkt dat Paulus hier zijn woorden tot Petrus aanhaalt, die hij heeft uitgesproken toen hij zich “tegen hem verzette” in Antiochië? Het gaat er om dat de Galaten zullen inzien dat, ondanks de beweringen van de “wettisch-gezinden”, Petrus en Paulus het ten opzichte van de leer volkomen eens zijn.

Daarom moeten de wetsaanhangers zich niet verbergen achter de beweerde autoriteit van Petrus. Ook vers 18 en 19 zijn eigenlijk aanhalingen van Paulus’ verwijt aan Petrus. Waar het om gaat is dat terugkeer tot de Joodse voorschriften van “eten” en “drinken”, nadat “sommigen uit de kring van Jakobus” te Antiochië waren gekomen, eigenlijk een ontkenning was van de volkomenheid van de rechtvaardiging alleen door geloof. Het komt dus hierop neer dat de zondaar geheel en volkomen en definitief gerechtvaardigd wordt door het geloof, zodat de werken der wet geen enkele zin meer hebben.

2. Galaten 2:19, 20

Dit is de tweede stap in het betoog van de apostel. Nu gaat het over de dwaling, dat hoewel de zondaar niet gerechtvaardigd wordt door de wet, de gelovige wel onder de wet moet leven als zijn leefregel. Het antwoord is dat in Christus de gelovige dóór de wet en vóór de wet is gestorven. Hij leeft evenmin onder de wet als een terechtgestelde misdadiger. Deze stelling noemt Bengel de “summa ac medulla Christianismi”, dat is de som en de kern van het Christendom.

Het is de leer die in vers 20 volledig ontwikkeld wordt en die zegt dat in het oog van God de mens met Christus is gekruisigd en dat het nieuwe leven dat de gelovige heeft ontvangen, inderdaad het leven is van de opgestane Christus. Christus leeft inderdaad in hem, zodat noch de juridische gerechtigheid voor God, noch de praktische gerechtigheid in het dagelijks leven uit de wet zijn. Het gevolg is dat de zondaar volkomen is gerechtvaardigd voor God door het geloof van Christus, zonder werken der wet; en dat Christus (tegen wie de wet niets heeft in te brengen) nu zijn leven is.

3. Galaten 2:21

Dit is de derde stap in het betoog van de apostel. De wet moet in het Evangelie niet vermengd worden met de genade, want als de rechtvaardigheid komt door de wet, dan is Christus tevergeefs gestorven. Hier wordt het woord “rechtvaardigheid” voor het eerst gebruikt in deze Brief. De Bijbel gebruikt het in drie toepassingen:

  1. Rechtvaardigheid als absolute gehoorzaamheid aan de wet. (Lukas 18:9-12; Filippenzen 3:4-6)
  2. Rechtvaardigheid zonder werken, die God toerekent aan hem die “die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt” (Romeinen 4:4-8; 22-25)
  3. De veranderde gezindheid van de gelovige (Romeinen 8:4; 6:17, 18)

De eerste is de negatieve betekenis van het woord; de tweede en derde de positieve. Het is Christus Zelf, Die door God voor ons tot rechtvaardigheid is gemaakt. In vs.16 en 20 gebruikt de apostel beide betekenissen. Door het geloof – en daarmee door de inwoning van Christus – zijn wij gerechtvaardigd, d.w.z. rechtvaardig “verklaard”. In vs. 21 gebruikt Paulus “rechtvaardigheid” in deze volle betekenis en in tegenstelling tot hen die de zondaar willen rechtvaardigen door de wet of de gelovige willen laten leven volgens de wet, verklaart hij, dat in beide gevallen aan de genade van God wordt tekortgedaan en Christus’ dood nodeloos wordt gemaakt.

Bedenk, dat “rechtvaardigen” betekent: “rechtvaardig verklaren” op wettige grond. Rechtvaardig máken is een onmogelijkheid, rechtvaardig verkláren is wat de rechter doet als hij de beschuldigde vrijspreekt. Bestudeer vooral Deuteronomium 25:1!

4. Galaten 3:1-5

De vierde tegenwerping van de apostel is dat de gave van de Heilige Geest geschiedt door geloof en niet door de werken der wet. De Heilige Geest wordt de Galaten op tweeërlei wijze voorgesteld:

  1. Als de “Geest van Zijn Zoon” (4:6) in onze harten uitgestort, om ons het besef te geven van onze positie als volwassen zonen en niet als onmondigen onder de slavernij van de wet, zoals de oudtestamentische gelovigen (4:1-7).
  2. Ais de kracht tot een heilig leven; onze Verlosser van de heerschappij van het vlees (5:16-26).

Het gaat hierom, dat de werken der wet niets kunnen toevoegen aan hem die volkomen gerechtvaardigd is voor God. Zo iemand is dood voor de wet, want Christus leeft in hem en hij heeft de Geest van het zoonschap en de overwinning verkregen.

5. Galaten 3:6-24

De vijfde stap van de apostel dient daartoe om de verhouding tussen het verbond met Abraham en het Mozaïsch verbond uiteen te zetten. Hij betoogt:

  1. Het verbond met Abraham brengt verlossing, omdat aan Abraham het Evangelie is gepredikt in de belofte: “In u zullen al de volken gezegend worden” (3:8). Abraham geloofde en dat “werd hem tot gerechtigheid gerekend”. Toen werd Abraham door het geloof verlost en zovelen in het geloof zijn, worden met hem verlost en zijn zijn kinderen.
  2. De wet daarentegen verlost niet, maar vervloekt; en zij vervloekt niet sommigen, maar allen.
  3. Hoe kan dan iemand verlost worden? Het antwoord is, dat “Christus ons heeft vrijgekocht van de vloek van de wet”, zodat de “zegen van Abraham” die naar ons onderweg was, maar opgehouden door het rechtvaardig vonnis van de wet, door Jezus Christus tot de heidenen is gekomen, omdat het vonnis van de wet aan Christus is voltrokken.
  4. Bovendien is het verbond met Abraham gesloten 430 jaar vóór de wet werd geschreven, en wat de wet ook vermag, zij kan een tevoren gemaakt verbond niet opheffen. Dus iemand, die onder het verbond van Abraham gerechtvaardigd is, kan daarvan door de wet niet beroofd worden, maar evenmin kan de wet iets aan dit verbond toedoen.
  5. Dit werpt de vraag op: “Waarvoor dient dan de wet?” Het antwoord is tweevoudig: Zij werd om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het Zaad zou komen, zodat allen onder de zonde werden besloten. De wet was de pedagoog of tuchtmeester om de onmondige kinderen op te voeden, totdat Christus zou komen.

“Zoals een pedagoog zijn pupillen moet leiden en opvoeden tot volwassenheid, zo moest de wet de mensen leiden en opvoeden totdat Christus kwam en zij niet langer onder de wet zouden blijven” (H.AW. Meyer).

Deel V – De leefregel is de GENADE en niet de WET – Galaten 3:25-5:26

In dit deel worden de beginselen besproken die het leven en de heiligmaking van de gelovige moeten beheersen. Die beginselen zijn de volgende:

Ten eerste: De gelovige is niet langer onder de “tuchtmeester”, de wet (vs. 25). Nu zijn er tegenwoordig niet velen meer die beweren dat men gerechtvaardigd moet worden door de wet. Maar wel wordt door velen een veel geraffineerder dwaling verkondigd, namelijk dat de gelovige – hoewel niet door de wet gerechtvaardigd – toch wel onder de wet blijft als zijn levensregel en levensbeginsel. 

Nu is de wet, als een deel van de door God geïnspireerde Schrift ongetwijfeld “nuttig om te onderrichten in de rechtvaardigheid” voor gelovigen die zo onwetend zijn, dat zij de eisen van de wet niet eens kennen. Maar Paulus wil volstrekt niet toestaan dat de “tuchtmeester” enig gezag zou krijgen over de christen. “Maar als het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester” (vs. 25).

Ten tweede: De apostel geeft de reden waarom het voogdijschap van de wet over de gelovige is beëindigd: “Want gij zijt allen zonen(!) van God, door het geloof in Christus Jezus” (vs. 26). “Zonen” is niet synoniem met “kinderen”. “Zonen” betekent “volwassenheid”; “kinderen” duidt alleen op “verwantschap”. De “zonen” zijn meerderjarige kinderen, erfgenamen. De gelovige uit het Oude Testament was een “kind”, maar (in nieuwtestamentische betekenis) geen “zoon”. Door de wedergeboorte – de doop met de Heilige Geest – ontstaan kinderen die geroepen zijn tot “zoonschap”.

Paulus illustreert dit door het contrast tussen de positie van een godvrezende Jood onder de wet en die van een gelovige Jood of heiden onder de genade. De kwestie is dat vóórdat Christus kwam, de gelovigen onder de wet waren, die als “voogd” en “beheerder” over minderjarige kinderen waakte. Maar nu worden de gelovigen door de doop en inwoning van de Geest, in Christus Jezus, de Zoon, tot “zonen” gemaakt; volwassen, mondige kinderen, die niet meer onder het gezag van een voogd staan, maar onder het rechtstreekse, persoonlijke gezag van de Vader (3:26-4:7). Nu is de wil van de Vader de leefregel van de gelovige. Om dit effectief te maken, is de “Geest van Zijn Zoon” in het hart van de gelovige uitgestort (4:6). Als Paulus aan de Hebreeën had geschreven, zou hij misschien gezegd hebben: “Dit is het verbond, waarmede Ik mij aan hen verbinden zal: Ik zal Mijn wetten in hun harten leggen” (Hebreeën 10:16).

Ten derde: Terugkeer tot de wet betekent het opgeven van de positie als “zonen” en terugkeer tot de positie van jonge kinderen, die in niets verschilt van de positie van slaven (4:8-11). Dat de Galaten daartoe bereid zijn, brengt de apostel tot verslagenheid (4:12-20).

Ten vierde: Om het nog duidelijker te maken, verwijst Paulus naar Abraham, die twee zonen had: Ismaël bij Hagar en Izak bij Sara. Maar Hagar, een slavin, kon alleen een slaaf voortbrengen. Als slavin wordt Hagar vergeleken met de Sinaï in Arabië, d.i. het systeem van de wet, dat te maken heeft met slavernij of wel met de vleselijke, natuurlijke mens. Izak, de zoon der belofte, geboren uit de vrije, is daarentegen het ware type van het zoonschap. Maar nu rijst de vraag: Moet er één wet, één erfenis, zijn voor de dienstbare en de zoon? Met andere woorden: Is het mogelijk om de “natuurlijke mens” en de “geestelijke mens” in één systeem onder te brengen? Blijkbaar niet. Immers, “een ongeestelijk mens (be)grijpt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid” (1 Korinthe 2:14).

De natuurlijke mens beschouwt vrijheid als wetteloosheid, een gelegenheid om zichzelf uit te leven. Hij begrijpt heel goed wat “wet” betekent. Maar een zoon, een geestelijk mens, onder de wet te brengen betekent: hem een slavenjuk op te leggen, zoiets als een volwassene onder voogdij te plaatsen. De twee systemen van “wet” en “genade” kunnen dus niet worden gecombineerd.

Uitsluiting is de enige oplossing: “zend de slavin weg met haar zoon” (4:21-31). Dit is hetzelfde principe als 1 Timotheüs 1:9 “dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars”. De apostel laat dan op zijn betoog over Hagar en Sara een aantal passende vermaningen volgen in hoofdstuk 5:1-15.

Ten vijfde: Nu brengt Paulus het tweede belangrijke beginsel van het leven van de gelovige naar voren, namelijk: groei en heiligmaking.

Het eerste beginsel was gebaseerd op zoonschap in verbinding met Christus, de Zoon. Daardoor was hij vrij van de wet (3:26-4:31). Wie in Christus gedoopt is, is een levend deel van Hem geworden; hij is lid van Zijn lichaam, en moet als zodanig ook delen in Zijn positie.

De tweede belangrijke waarheid (vs. 16-24) is de inwoning van de Heilige Geest en de uitwerking daarvan op het gehele leven van de gelovige. Hier is een absoluut contrast met de toestand onder de wet. De mens “onder de wet” had “de geest van het zoonschap” niet ontvangen. Voor hem was het overheersende levensbeginsel dus gehoorzaamheid aan een gezag buiten hem: onderwerping aan een geschreven wet.

Maar een gelovige in de bedeling van de Gemeente heeft de inwoning van de Geest; dit feit beheerst zijn wandel (vs. 16), geeft hem “overwinning over het vlees” (vs. 17) en “bevrijdt hem van de wet” (vs. 18).

Bovendien adelt de kracht van de inwonende Geest zijn gezindheid (vs. 22, 23). Onder de bedeling van de wet kenmerkte zich een godvruchtige gezindheid door “leven naar alle geboden en eisen des Heeren, onberispelijk” (Lukas 1:6). De gezindheid van de gelovige in onze bedeling kenmerkt zich door “liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goeder-tierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid” (Galaten 5:22). En de apostel wilde de Galaten laten weten dat deze nieuwe eigenschappen niet het gevolg zijn van eigen inspanning; zij zijn de vrucht van de Geest”.

Deel VI – Vermaningen en Besluit – Galaten 5:25-6:18

Dit gedeelte behandelt heel kort de hoofdbeginselen waarnaar de christen zich zou gedragen.



Naar Les 69 – De Brief aan de Romeinen