Les 69 – De Brief aan de Romeinen

Deel 3: Het gekruisigd-zijn-met-Christus en het bezitten-van-nieuw-leven door de Heilige Geest, is het middel dat het Evangelie schenkt tegen de zonde die ons aankleeft (5:12-8:13).

In dit belangrijke Schriftgedeelte gaat de apostel in op de diepste nood van de mensheid. Het gehele mensenras – zonder uitzondering – is schuldig, omdat het zondigt. In deze nood is voorzien door het sterven van Jezus voor de zondaar. Maar als achtergrond hiervan staat de mens, die ze bedreef. De dood van Jezus vereffende zijn schuld – maar wat gebeurt er met de mens zelf? Hoe is hij van nature? Wat is zijn geschiedenis? Wat moet er voor hem gedaan worden? Hij is nu gerechtvaardigd door het geloof zonder de werken van de wet; zal hij nu voortaan door God geholpen worden om de wet te houden? Zal hij nu in plaats van zijn slechte natuur een goed hart krijgen?

N.B. Het is opmerkelijk dat van hoofdstuk 5:1 tot het eind van de Brief niet meer gesproken wordt over de verlossing van de gelovige. Slechts de rechtvaardiging door het geloof, zonder een greintje eigen verdienste, heeft zijn verlossing voorgoed bevestigd.

God heeft getoond niet alleen genadig te zijn, maar ook volkomen rechtvaardig, door een gelovige zondaar te rechtvaardigen op deze wijze, zodat de gehele kwestie van zijn schuld zodanig door Christus is geregeld, dat het gezag van de wet is gehandhaafd. Als de apostel zegt: “Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet” (3:31), dan is aan Gods heiligheid, aan Gods wet en Gods liefde volkomen voldaan, zodat hij de gelovige op wettige wijze kan rechtvaardigen. Het gedeelte dat wij nu gaan behandelen gaat dus niet over het behoud van de zondaar, maar over de heiliging. Wij onderscheiden hier vijf onderdelen:

Ten eerste:

Door zijn afstamming van Adam ontvangt het gehele mensengeslacht de erfzonde; maar wie gelooft, wordt door Christus gerechtvaardigd (5:12-21). Dat de zonde algemeen is, wordt bewezen door de algemeenheid van de dood. Dat de dood niet de straf is voor de overtreding van de wet, blijkt uit het feit dat de dood evenzeer heerste van Adam tot Mozes als ná de wetgeving. Er bestond universele straf, omdat de zonde universeel was. Hier is de tegenstelling:

Adam – zonde – dood
Christus – gerechtigheid – leven

N.B. De leerstellingen over de éénheid van de gelovige met Christus en over Adam als het hoofd van de mensheid, die zo uitvoerig ontwikkeld zijn in de Brieven aan de Korinthiërs, vinden wij ook in de Romeinen-brief. Zie 1 Korinthe 12:12-27; 15:22, 45.

Ten tweede:

Naar Gods berekening is de éénwording van de gelovige met Christus begonnen bij Christus’ dood en voortgezet in Zijn opstanding (6:1-10).

Ten derde:

De gelovige moet voor waar houden wat God als zodanig verklaart (6:11-23). Het komt dus hierop neer: De gelovige moet zeggen: “Omdat God mij beschouwt als een mens, die dood was en uit de doden is opgewekt om in nieuwheid des levens te wandelen, wil ik ook mijzelf zien als een mens, die de kruisdood is gestorven en die nu alleen wil leven tot eer van God, Die mij uit de doden opwekte. Ik wil mijzelf zien, zoals God mij ziet!” (6:11, 12).

Deze “nieuwheid des levens” is niet slechts een nieuwe deugd, van Christus ontvangen, maar een nieuwe overgave. Zoals het geloof de zondaar tot “rechtvaardiging” brengt, zo brengt de overgave hem tot “heiliging” (6:13-23). Daar kan men niet diep genoeg van doordrongen zijn. “Gij waart slaven der zonde” (6:17). Het resultaat daarvan was de dood.

De wedergeboren mens – de gelovige – geeft zich over aan God; allen gezamenlijk zijn we nu “in dienst van de gerechtigheid”, wat een nieuwe vrucht voortbrengt: heiligmaking. Zodoende bekleedt de rechtvaardige een tweevoudige positie: Hij beschouwt zichzelf als een levend mens, die dood geweest is; en hij geeft zich over aan God tot heiliging en daarmee tot dienst.

Ten vierde:

In welke verhouding staat de gerechtvaardigde mens ten opzichte van de wet? (6:14; 7:1-25).

  1. Hij is niet onder (de heerschappij van) de wet, maar onder (de heerschappij van) de genade (vs. 14). Hierdoor heeft hij de toezegging verlost te zijn van (de heerschappij van) de zonde. De wet kon hem wel gebieden goed te zijn, maar de wet kon hem niet goed maken. Dat kan de genade wel! Hij is niet langer onder de wet, omdat hij “dood is voor de wet”, want hij is met Christus gekruisigd. Hij is als het ware een vrouw, die door de wet getrouwd was met een man, die inmiddels is gestorven, en dus is zij niet langer aan die echtgenoot verbonden. Zij is nu getrouwd met een andere echtgenoot: Christus. De vrucht van het vorige huwelijk was de dood (niet door schuld van de vorige echt-genoot, maar door de zonde), maar nu mogen wij Gode vrucht voortbrengen (7:1-6). De gelovige moet zich goed bewust zijn dat hij door de wet niet tot heiliging kan komen. De wet zelf is heilig en goed, maar
  2. in zijn onbekeerde staat wekt de wet het kwaad, dat in hem was, op en brengt hem zo ten onder. De wet gaf hem wel het bewustzijn van zijn verschrikkelijke zonde, maar maakte hem niet goed. Wat nu de uitwerking van de wet is op een bekeerd mens, daarop geeft de apostel zijn eigen ervaring: “hij verlustigt zich in de wet Gods naar de inwendige mens”. Hij zou de gerechtigheid willen voortbrengen, maar hij kan niet volbrengen wat hij wil, wegens de oude wet der zonde in zijn leden. Dit pogen en strijden bracht hem alleen maar tot nederlaag en vertwijfeling. Hij werd niet verlost, zolang hij op de wet bleef zien (7:14-23).

Zoals Moody zei: “De wet is een spiegel waarin men zijn ongerechtigheid kan zien, maar waarmee men zich niet kan reinigen.”

Ten vijfde:

De gerechtvaardigde mens vindt bevrijding en overwinning in Christus door de Heilige Geest (7:25-8:13). De bevrijding van de heerschappij van de zonde kon niet verkregen worden door de wet (7:22, 23), noch door een ontwaakt en geprikkeld geweten (7:12, 16, 19), noch door een sterke wil (7:18), maar alleen door Jezus Christus (7:25). Dan gaat de apostel uitleggen hoe wij bevrijd kunnen worden:

  1. Er is geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn (8:1). Christus heeft zo volkomen afgerekend met de kwestie van onze persoonlijke schuld en naar de maatstaf van God is “de oude mens” zo volkomen in Christus gestorven, dat wij noch door onze zondige daden, noch door onze zondige neigingen, zoals in hoofdstuk 7 beschreven, veroordeeld worden. Het is een nieuwe bevestiging van de rechtvaardigmaking, nadat er weer gesproken is over de (erf)zonde, die ons aankleeft. Het is alsof de apostel zeggen wil: “Ondanks het jammerlijk falen van mijn pogingen tot heiliging, blijft mijn rechtvaardiging van kracht; er is geen veroordeling.”
  2. Door Christus hebben wij de Heilige Geest ontvangen en Hij is een “wet”, die ver uitgaat boven “de wet van de zonde en de dood” (8:2). De verlossing van de heerschappij van de zonde (het vlees, de oude mens) is bewerkt, niet door de wet, noch door het geweten, noch door wilskracht, maar door de inwoning van een almachtige Verlosser: de Heilige Geest. De wet kon dit niet doen, want die kon geen nieuwe kracht geven. Wel eiste de wet van het vlees om te volbrengen, waartoe het niet bij machte was (8:3a). Daarom heeft God het zondig vlees veroordeeld in het lijden en de dood van Zijn Zoon (8:3b).

Thans wordt door de Geest des levens de gerechtigheid die de wet eist, ín (niet “dóór”) ons vervuld, omdat wij wandelen in overgave aan de wil van de Geest (8:4).

De heiligmaking is wijding aan de dienst van God en wordt in de Schrift op drieërlei wijze behandeld:

a) Onze staat

De gelovige wordt in één keer “geheiligd (apart gezet voor de dienst aan God) door het offer van het lichaam van Christus, eens en voor altijd” (Hebreeën 10:10, 14; 2:11). Hiervan is de Geest het zegel en onderpand (Efeze 1:13). Vanaf het ogenblik dat iemand gelooft, wordt hij als heilig beschouwd (Hebreeën 3:1; 1 Thessalonicenzen 5:27; 1 Korinthe 1:2).

b) Onze toestand

De gelovige wordt geheiligd door het werk van de opgestane Christus als Hogepriester, door de inwoning van de Heilige Geest en door het Woord (Efeze 5:25, 26; Johannes 13:8; 1 Korinthe 6:11; Johannes  17:17; 2 Korinthe 7:1; 1 Thessalonicenzen 5:22, 29; Johannes 1:9).

(c) Onze verheerlijking

De heiligmaking van de gelovige wordt voltooid bij de wederkomst van Christus (1 Johannes 3:1, 2). Een geheiligd mens, in de praktische betekenis, is dus niet een zondeloos volmaakt mens, maar een gerechtvaardigd mens, die “zijn leden stelt tot wapenen der gerechtigheid en zichzelf Gode stelt als uit de doden levend geworden” (6:13). Zo iemand zal van alle bewuste zonden gereinigd worden, door zijn groei en kennis in genade.

“Reiniging” – bedenk dat goed – is meer dan vergeving; het is het reinigen van het hart, een reiniging van een kwaad geweten (Hebreeën 9:14; 10:22). Wij vinden die beide werkzaamheden van de genade in 1 Johannes 1:9.

De verzen 5-13 van Romeinen 8 bevatten een zeer belangrijk en prachtig betoog over de wandel in de Geest van de geheiligde mens. Bij het lezen van dit Schriftgedeelte moeten we duidelijk onderscheid maken tussen “natuurlijk”, “vleselijk” en “geestelijk”. Het verschil in betekenis komt heel goed uit in 1 Korinthe 2:14-3:4:

De “natuurlijke mens” is niet behouden;
De “vleselijke mens” is wel behouden, maar niet geestelijk;
De “geestelijke mens” is de behouden mens, die zich laat leiden door de Heilige Geest.

In Romeinen 8:5-13 vergelijkt de apostel de toestand van de mens in het vlees met die van de mens die de volle zegen geniet van het Evangelie. Deze laatste is niet “in het vlees”, hoewel het vlees wel in hem is (vs.12, 13). En het is zijn voorrecht om door de macht van de inwonende Geest het vlees voor dood te houden; het vlees, dat in Gods oog dood is (vs.13). De kracht van dit betoog ligt in de nadruk die de apostel legt op het feit dat in iedere gelovige de heilige almachtige Geest des Levens woont, Die het hem mogelijk maakt op een hoger – geestelijk – niveau te leven.

Deel 4: De volle zegen van het Evangelie (8:14-39)

Nadat hij in hoofdstuk 5:1-11 de rechtvaardiging en in 5:12-8:13 de heiliging heeft behandeld, vat de apostel nu in één grootse verklaring de volle zegen van het Evangelie samen, te beginnen met 1:16, 17, waar het genoemd wordt: “de kracht Gods tot zaligheid”.

Ofschoon nu de eerste dertien verzen van hoofdstuk 6 eigenlijk de conclusie vormen van het lange betoog, dat begint met de uitspraak in 6:14: “Immers, de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”, zo vormt hoofdstuk 8 op zichzelf een complete uiteenzetting, die we in zijn geheel moeten bestuderen. Het hoofdstuk kan aldus worden verdeeld:

  1. Voor gelovigen in Christus is er geen veroordeling mogelijk. Christus is voor hun zonden gestorven, en zij zijn door datzelfde kruis gestorven voor de zonde (8:1).
  2. Terwijl zij rechtvaardig gerekend worden door het werk van Christus, worden de gelovigen rechtvaardig gemaakt door de Geest in hen (8:2-13).
  3. 8:14-16. Door de Geest realiseren de gelovigen zich hun nieuwe positie als zonen Gods.
    1. De Geest leidt hen (vs.14).
    2. Door Hem roepen zij: “Abba, Vader!” (vs. 15).
    3. Hij getuigt met hun geest, dat zij kinderen Gods zijn (vs.16).
  4. 8:17-30. De apostel openbaart nu het verbazingwekkende feit, dat aangezien gelovigen kinderen Gods zijn, zij ook erfgenamen Gods zijn en mede-erfgenamen van of met Christus (vs.17). Deze situatie is onmiddellijk van kracht, hetgeen dus betekent: lijden met Hem in de tegenwoordige tijd en met Hem verheerlijkt worden bij Zijn wederkomst. Maar het lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid, die aan ons geopenbaard zal worden (vs. 18).

    De schepping is “‘aan de ijdelheid onderworpen” (vs.20), ligt in dienstbaarheid aan de vergankelijkheid, zucht en is in barensnood, en ook wij die de Geest als eersten ontvangen hebben, zuchten, omdat wij nog niet onze geestelijke lichamen hebben. Maar de Geest Zelf komt ons te hulp en bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

    Ook de schepping zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Als wij dus nog moeten lijden, doen wij dat in hope, namelijk in de hoop op onze openbaring als zonen Gods, de hoop op onze nieuwe geestelijke lichamen, de hoop op het in bezit nemen van onze gezamenlijke erfenis met Christus, en zo kunnen wij zelfs onder het lijden geduldig wachten. Voor wie gelooft, werken immers “alle dingen” mede ten goede; dat is onze troost en sterkte. En dan volgt er nog een waarheid tot steun van gelovigen die in lijden zijn, namelijk, dat wij eenmaal aan het beeld van de Zoon gelijkvormig zullen zijn:

    “Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” Niemand kan verloren gaan, aan wie dit wondere proces is begonnen (8:17-30).
  5. 8:31-39. Dit prachtige Schriftgedeelte mag wel het overwinningslied van de gelovige worden genoemd. Kort samengevat: “God is vóór ons”. Spencer noemde dit: “de beste van alle blijde boodschappen.” God is vóór de zondaar, die gelooft in de Heere Jezus Christus. De apostel komt tot de hoogste graad van triomf in de woorden: “Wie zal tegen ons zijn?” En dat nog niet alleen, maar: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” Hoe zouden wij weer voor het gericht gebracht kunnen worden, wij die reeds vrijgesproken en dus gerechtvaardigd zijn? Kan iemand enige beschuldiging inbrengen voor God, terwijl Christus voortdurend voor ons tussenbeide treedt? Neen, want absoluut niets in de hemel, op de aarde of in de hel kan ons scheiden van de liefde van Christus!

Deel 5: Het Evangelie zet niet de speciale verbondsverplichtingen van God en Zijn beloften aan Israël terzijde (9:1-11:36).

Deze drie hoofdstukken vormen eigenlijk een parenthese, een grote tussenzin. Hoofdstuk 12, beginnend met de woorden: “Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt …” sluit onmiddellijk aan op hoofdstuk 8, waar de gedachtegang van de apostel zo abrupt werd afgebroken.

Het is eigenlijk logisch dat Paulus dit gedeelte, handelend over de positie van Israël in Gods heilsplan, juist op deze plaats heeft tussengevoegd. Wij zijn zo gemakkelijk geneigd om de Joden te vergeten. Bij vele Christenen leeft nog altijd de oude, onschriftuurlijke, opvatting dat de Gemeente definitief en in alle opzichten de plaats van Israël heeft ingenomen, en als zodanig het ware “geestelijk Israël” is. 

Voor de gelovigen in de apostolische tijd was de kwestie van de verhouding van Israël tot de Gemeente een levend en brandend vraagstuk. Nadat de apostel Paulus uitvoerig had uiteengezet dat alle mensen – zowel Joden als heidenen – als zondaars onder hetzelfde oordeel vallen – en gewezen had op de enige weg tot verlossing in het Evangelie, rees onmiddellijk de vraag: Wat komt er dan terecht van het Davidisch Verbond, bevestigd door de eed van God, en vernieuwd aan de moeder van Jezus door de engel Gabriël? Wat komt er dan terecht van de telkens herhaalde en onvoorwaardelijke beloften betreffende het herstel van geheel Israël in het land hunner vaderen en het herstel van de monarchie in de Persoon van een Messias, Die de Zoon en de erfgenaam van David zou zijn? Op deze belangrijke vragen geeft de apostel in de hoofdstukken 9, 10 en 11 van de Romeinen-brief het antwoord.

Jakobus had reeds in de apostel-vergadering te Jeruzalem (Handelingen 15) verklaard dat de aanneming van de heidenen door geloof, zonder besnijdenis, niet in tegenspraak was met de profetieën, maar, integendeel, zelfs daarmee overeenkwam, omdat de profeten het herstel van Israël voorzegd hadden als te zullen plaats hebben ná de wederkomst des Heeren.

Zo verklaart ook Paulus – en hij veel uitvoeriger – dat deze bedeling van genade in zekere zin een onderbreking is in Gods werk met het Joodse volk, maar beslist niet in Gods heilsplan (Efeze 3:2-11). Een onderbreking, die door de profeten wel degelijk was voorzien en vastgelegd. Er is dus geen sprake van dat God met Israël als volk heeft afgedaan! Integendeel! “En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.” (Romeinen 11:26). De moeilijkheid ligt dus veel dieper dan alleen maar bij het verbond met David. Het heeft van doen met het ouder en krachtiger verbond met Abraham. De belofte van verlossing was aan Israël gegeven, en nu werd Israël niet verlost. Het betoog van de apostel kan als volgt onderverdeeld worden:

  1. De genegenheid van de apostel voor Israël (9:1-3).
  2. De erkenning van de zeven voorrechten van Israël (9:4, 5).
  3. Het onderscheid tussen het natuurlijk en het geestelijk zaad van Abraham (9:6-13).

Dit Schriftgedeelte wordt door vele theologen ten onrechte aangevoerd als bewijs dat heidenen het ware Israël worden door geloof in Christus. Het heeft geleid tot een volkomen verwarring in de interpretatie van het Oude Testament. Het is inderdaad een feit dat Galaten 3:7, 8 duidelijk leert dat gelovigen zonder onderscheid van ras “kinderen van Abraham” zijn. Maar: (1) Christenen worden nooit kinderen van Jakob (Israël) genoemd, en (2) Christus Zelf maakt een duidelijk onderscheid tussen een natuurlijke en een geestelijke Jood, hetgeen door Paulus wordt bevestigd. Zie de tegenstelling tussen Johannes 8:37 en 39.

Er was een natuurlijk Israël en een geestelijk Israël – een Israël in Israël; dit is de kern van Paulus’ argument. Hij toont uit de Schrift aan dat het Evangelie, dat aan Israël beloofd was, Israël niet verlost. Zijn stelling is dat het alleen de geestelijke Israëlieten verlost (Hoofdstuk 9-11:10). Deze waarheid behandelt hij verder in het volgende punt:

  1. De apostel illustreert zijn stelling dat niet alle Israëlieten het ware Israël waren door Izak en Ismaël, die beiden zonen van Abraham waren, en Jakob en Ezau, de beide zonen van Izak. Jakob had, ondanks zijn vleselijke gezindheid, geloof. Ezau was “een onheilige” (Hebreeën 12:16).

In hoofdstuk 9:27 begint Paulus aan te tonen dat profeten deze dingen voorzegd hadden, namelijk (1) dat de genade zich zou uitstrekken tot de heidenen; (2) dat er een gelovig overblijfsel in Israël zou zijn. De oorzaak, waardoor de Joden niet behouden werden, was dat zij gerechtvaardigd wilden worden uit de werken der wet in plaats van uit het geloof (9:25-10:21). Daarna komt hij terug op het “overblijfsel”, het ware geestelijk Israël (11:1), waarvan hij zelf een duidelijk voorbeeld was. Geheel in tegenstelling tot de onjuiste gedachte dat de gelovige Heiden een Israëliet wordt, toont de apostel aan dat de gelovige Jood een Christen wordt. Vervolgens komt dan het onderricht aan de heidenen. Zij zijn ingeënt in de goede olijfboom en de natuurlijke takken zijn vanwege ongeloof afgebroken.

Maar eens zullen de natuurlijke takken toch weer in hun eigen olijfboom worden ingeënt (11:24). Wanneer? Als de “volheid der heidenen” zal zijn ingegaan en dan zal de profetie van Jeremia in vervulling gaan (Jeremia 31:27-40). Deze profetie voorspelt zowel de bekering als het herstel van Israël.

Het bovenstaande is de gangbare toelichting op deze drie hoofdstukken. Het is zonder meer Bijbels om de Gemeente uit Joden en heidenen van vandaag te beschouwen als het “gelovig overblijfsel”, dat deel heeft gekregen aan de zegeningen van Israël. Dat is toch ook de betekenis van o.a. de woorden van Paulus: 

“Gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werd van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus” (Efeze 2:11-13). 

Gelovigen uit de heidenen hebben deel aan het burgerschap van Israël. Het probleem is echter dat Israël – zijnde het Joodse volk – ook volgens deze uiteenzetting van Paulus wel degelijk is gestruikeld, gevallen en verminderd, met alle gevolgen van dien. 

Het grote punt is dat in Romeinen 8 en 9 de apostel met nadruk eerstgeboorterecht, “aanstelling tot zonen”, toeschrijft aan de Gemeente, en daarbij toegeeft dat dat aan Israël was beloofd en uiteraard niet aan heidenen in het algemeen. Zich baserend op ongeveer 40 door hem geciteerde Schriftplaatsen uit het Oude Testament (!), beargumenteert de apostel đat de zegeningen van đe Gemeente in werkelijkheid berusten op de belofte van eerst-geboorterecht, die niet vererfd is geworden naar Juda en daarmee het 2-stammenrijk, maar naar Jozef en diens zoon Efraïm en daarmee het 10-stammenrijk. En langs die route is het eerstgeboorterecht van Efraim, boven Juda, terechtgekomen bij de Gemeente van Eerstgeborenen, met rechten die hoger zijn dan die van het Joodse volk. De hemelse positie is nu eenmaal hoger dan de aardse.

De vraag was niet hoe het kan dat heidenen toegevoegd worden aan de Gemeente. De vraag was hoe het kan dat God een letterlijk Israël had uitverkoren tot koninklijk en priesterlijk volk, terwijl het er alle schijn van had dat hieraan een eind was gekomen door de val van het Joodse volk. De enigszins vereenvoudigde verklaring is, dat naast Juda er nog een ander deel van Israël bestaat, dat niet tot het Joodse volk, maar tot de heidenen (d.i. niet-Joden) wordt gerekend. En dat was de voedingsbodem geworden voor het Christendom. Niet in de laatste plaats via de Britse achtergrond van deze “heidense” Christengemeente in Rome.

Algemene misverstanden en onbekendheid met de profetieën dienaangaande, en met de geschiedenis der volken, maakt het verder helaas onmogelijk om op deze plaats hier dieper op in te gaan.

Deel 6: Leven en dienst van Christenen (12:1-15:13).

In dit belangrijke gedeelte neemt Paulus de draad van zijn betoog, dat aan het eind van hoofdstuk 8 werd afgebroken voor de inlassing van de drie hoofdstukken over de beide huizen van Israël, weer op. U dient nu eerst weer de hoofdstukken 5 t/m 8 door te lezen en onmiddellijk daarop aansluitend hoofdstuk 12. 

De “ontfermingen Gods” (12:1) zijn de “ontfermingen”, geopenbaard in het Evangelie, waarbij eerst de mond van de zondaar gestopt wordt voor God vanwege zijn schuld en machteloosheid (3:19), om hem vervolgens te rechtvaardigen en te heiligen met als uiteindelijk en enige doel: de heerlijkheid van God (hoofdstuk 8). Thans wil de apostel Paulus de gelovigen leiden tot de praktische ervaring van de zegen, vermeld in 6:14 en verder uitgewerkt in 8:1-39.

  1. 12:1-3. Daarom komt hij terug op de enige voorwaarde, waaraan de gelovige heeft te voldoen. Het Griekse woord, hier vertaald door “stellen”, betekent eigenlijk “overgeven” of “ter beschikking stellen”. De bedoeling van deze aanbeveling is dus dat de gelovige zijn lichaam volkomen ter beschikking stelt aan de Heer “als een levend offer”. Romeinen 12 is dus een bevestiging van Romeinen 6:16.

    U moet wel in het oog houden dat de eerste acht hoofdstukken van de Brief aan de Romeinen leerstellig zijn. Het praktische gedeelte begint in 12:1 (hoewel ook in hoofdstuk 7 een persoonlijke ervaring van Paulus voorkomt).

    Nu is het van het grootste belang op te merken, dat evenals de rechtvaardiging begint met een daad, namelijk geloof, zo begint ook de ware Christelijke levenswandel met een daad, namelijk de onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling van het lichaam, om voortaan geheel onderworpen te zijn aan de wil van een ander, d.w.z. Christus.

    Let op de logische volgorde:

    a. Het (met Christus levend-gemaakte) lichaam beschikbaar stellen: offeren.
    b. Niet deze wereld (“aion” = “eeuw”) gelijkvormig worden, maar veranderd worden door vernieuwing van gemoed”
    (= “mind” = “denken”).
    c. Daardoor proeven (= ervaren) wat de wil van God is voor ons persoonlijk.
  2. 12:4-8 – Hier wordt heel kort gesproken over de leer van het lichaam van Christus in verband met de geestelijke gaven. Iedere gelovige moet zich tot zijn eigen geestelijke gaven beperken.
  3. 12:9-21 – De algemene beginselen van de christelijke levenswandel.
  4. 13:1-14 – De houding van de gelovige ten opzichte van overheid en wereld.
  5. 14:1-15:13 – Het leven als broeders in de Gemeente.

Deel 7: De openbaring van de christelijke liefde (15:14-16:27)



Naar Les 70 – De Brief aan Filémon