Les 21 – De Richteren en Ruth

Les 21 – DE RICHTEREN EN RUTH

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 21)

  1. Hoelang duurde de derde periode van Israëls geschiedenis? 
  2. Welke regeringsvorm was er onder Israël gedurende deze periode? 
  3. Wanneer zal deze regeringsvorm hersteld worden? 
  4. Wanneer begonnen “de tijden der heidenen” en wanneer zullen zij eindigen? 
  5. Wat was de algemene toestand van Israël gedurende de derde periode? 
  6. Wat was de eerste oorzaak van die toestand? 
  7. Waarmee correspondeert dit in onze christelijke ervaring? 
  8. Wat zijn de geschiedenisbronnen van deze tijd? 
  9. Wat is het sleutelvers van het boek Richteren? 
  10. Noem de namen van de Richteren. 
  11. In welk opzicht is Samgar een type van Christus? 
  12. Welke typologische elementen bevat het lied van Debora? 
  13. Waarvan is Abimelech een type en in welke opzichten? 
  14. Wat is het sleutelvers van het boek Ruth? 
  15. In hoeverre is Simson een type van Christus? 
  16. Waarvan zijn Boaz en Ruth een type? 
  17. Waarvan zijn “Zulk Een” en Orpa een type?

DERDE PERIODE – DE RICHTEREN

Deze periode begint bij de dood van Jozua en eindigt bij de verkiezing van Saul tot koning over Israël en omvat ongeveer 450 jaren. De apostel Paulus, sprekend in de Joodse synagoge te Antiochië, zinspeelt op dit richteren-tijdperk met de volgende woorden: “En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld. En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuël, de profeet” (Handelingen 13:19, 20).

Het regeringskarakter tijdens deze periode wordt het duidelijkst omschreven in 1 Samuël 8:7; 10:18, 19. Vanaf de “Exodus” uit Egypte tot aan koning Saul was de regeringsvorm van Israël een theocratie (d.i. Godsregering). Jehovah was de Koning van Zijn volk. Hij oefende Zijn gezag over het volk uit door Mozes, Jozua en de Richteren, van wie de laatsten een bijzonder karakter droegen: Eli was een priester-richter en Samuël een profeet-richter.

Na de richterentijd zette de Heer Zijn theocratische regering over Israël voort door middel van koningen. Gedurende het toekomstige duizendjarige Rijk zullen de richteren over Israël weer worden hersteld (vergelijk Jesaja 1:26; Mattheüs 19:27, 28), hoewel de Heere Jezus als de Zoon van David, dan een zichtbaar Koning zal zijn. Hosea 3:4, 5; Ezechiël 37:21-28; Lukas 1:32, 33; Handelingen 15:14-17.

Met de Babylonische ballingschap verdween de theocratie over Israël (het volk werd verbannen en Jeruzalem verwoest) en begonnen “de tijden der heidenen” (de heerschappij van heidense wereldmachten, waarbij Jeruzalem “door de heidenen vertreden” wordt). Deze “tijden der heidenen” (Lukas 21:24) zullen voortduren tot aan de wederkomst van Christus op aarde. Gedurende deze tijd van heidense overheersing bestaat de regering van God op aarde slechts uit de voorzienige besturing van bepaalde gebeurtenissen, heerschappijen en overheden. 

Dit wordt het duidelijkst geïllustreerd in het boek Esther. God wordt niet éénmaal in dat merkwaardige boek genoemd, maar werkt niettemin achter de schermen voor de bewaring en het behoud van Zijn volk in ballingschap. Deze bedekte werkzaamheid van God is karakteristiek voor de tegenwoordige bedeling. Zie ook Daniël 2:37, 38; Romeinen 13:1-7.

Deze derde periode wordt gekenmerkt door onenigheid, verdeeldheid en verwarring. De kwade gevolgen van hun ongehoorzaamheid, om de inwoners van Kanaän uit te roeien en te verdrijven, werden openbaar zodra de sterke hand van Jozua niet meer werd gevoeld.

De stammen vervielen tot afgoderij en werden daarvoor gestraft door onderwerping aan vreemde machten. Hun bevrijdingen kwamen tot stand door de “richteren”, die God uit het volk verwekte. Voor zover wij kunnen nagaan, heeft tot aan Eli niet één richter over het gehele volk geheerst. De enig-mogelijke uitzondering is misschien Debora (Richteren 4:5).

De bronnen van de geschiedenis van deze periode zijn de boeken Richteren, Ruth en 1 Samuël 1-12.

A. HET BOEK RICHTEREN

Dit boek is het droevig verslag van het falen van het verbondsvolk van God in het beloofde land. Het beschrijft de afval en de gevolgen van Israëls afval van Jehovah, hun God. Het schildert ons de donkere middeleeuwen van Israël en het doet ons het verband zien tussen de afval van God en de ellende, die daaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit.

Het sleutelwoord is: “kwaad” (14 maal). 

Het sleutelvers is Richteren 17:6 “Ieder deed wat recht was in zijn ogen”. Het boek dankt zijn naam aan de personen, genaamd “richteren”, wiens grote daden daarin worden vermeld.

I. HISTORISCH

U dient wel te bedenken dat in het boek Richteren geen ordelijke en aaneengesloten geschiedenis van het volk te lezen is. Gedurende de gehele periode die het boek beschrijft, treden veeleer de afzonderlijke stammen dan het gehele volk op de voorgrond. Niettemin is het evenals het boek Jozua, een betrouwbaar verslag van een reeks historische gebeurtenissen.

II. BIOGRAFISCH

Vanzelfsprekend zijn het de “richteren” die in dit Bijbelboek bijzonder op de voorgrond treden. Wij kunnen hen misschien het beste beschouwen als “stamhoofden”, op wie de Heere de nood van Israëls afval en verdrukking heeft gelegd. Zij waren in zekere zin de geestelijke voorvaders van de latere profeten, d.w.z. in de eerste plaats patriotten en verder godsdienstige hervormers, omdat nationale welvaart en veiligheid direct afhankelijk waren van getrouwheid en gehoorzaamheid aan de Heer.

Geschiedenis der richteren
Er worden in totaal 13 richteren genoemd, maar de indringer Abimelech, die niet door God verwekt was, telt niet mee, zodat er dus 12 richteren overblijven – evenveel richteren dus als er stammen in Israël waren. Van deze twaalf schijnen er vijf geregeerd te hebben in tijden van vrede; de overblijvende zeven waren zowel bevrijders als richters, die Israël bevrijd hebben van de zeven grote verdrukkingen door hun vijanden.

In het boek Richteren is sprake van: zeven afvallen, zeven verdrukkingen door zeven vijanden en zeven bevrijdingen door zeven richteren.

OVERZICHT DER RICHTEREN

Nr.NaamBijzonderhedenVijandTijd/jaarRichteren
1OthniëlBloedverwant van Kaleb Mesopotamië83:7-11
2EhudLinkshandig Moabieten183:12-30
3SamgarGebruikte een ossenstokFilistijnen
3:31
4DeboraEnige vrouwelijke richterKanaänieten204 en 5
5GideonVroeg om een tekenMidianieten76 t/m 8

Abimelech(broedermoordenaar9
6Thola10:1, 2
7Jaïr30 zonen, 30 steden10:3-5
8JefthaVoorbarige belofteAmmonieten1811
9Ebzan12:8-10
10Elon12:11, 12
11Abdon12:13-15
12SimsonSterkste man, NazireeërFilistijnen4013 t/m 16

III. INDELING

  1. Inleiding- Nalatigheid en oordeel Richteren  1 en 2 
  2. De geschiedenis van de twaalf richteren Richteren  3 t/m 16
  3. Dubbel aanhangsel Richteren 17 t/m 21
    Afgoderij (Dan) Richteren 17 en 18
    Immoraliteit en burgeroorlog (Benjamin) Richteren 19 t/m 21

IV. GEESTELIJK 

Het is een somber refrein, dat ons in het eerste hoofdstuk in de oren klinkt:

“Manasse heeft de inwoners van Beth-Sean niet verdreven” (vs. 27). 
“Zebulon heeft de inwoners van Kitron niet verdreven” (vs. 30). 
“Aser heeft de inwoners van Acco niet verdreven” (vs. 31).
“Naftali heeft de inwoners van Beth-Semes niet verdreven” (vs. 33).

Een bittere historie van zonden uit nalatigheid. Israël was ongehoorzaam aan Gods bevel; want God had hen nadrukkelijk en herhaaldelijk bevolen om de inwoners van het land uit te roeien. Zie Exodus 23:32, 33; 34:12-15; Deuteronomium 7:2; Jozua 23:12. Hij had hen tevens gewezen op de ernstige gevolgen, die de gespaarde vijanden voor Israël zouden hebben en het groot gevaar dat ze zouden opleveren.

“Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen en tot prikkelen in uw zijden en u zullen benauwen op het land, waarin gij woont.” – Numeri 33:55.

Op die waarschuwingen van God heeft Israël niet gelet en daarom heeft God Zijn bedreigingen vervuld.

1. We zien in hoofdstuk 1:27-36 de toenemende verachting en afval beschreven:

  1. De Kanaänieten slaagden erin om in die streek te blijven wonen (vs. 27). De Kanaänieten moesten dood zijn en dus geen plaats meer hebben. 
  2. De Kanaänieten werden “niet verdreven” (vs. 28). 
  3. De Kanaänieten werden “cijnsbaar” gemaakt (vs. 30). Een dode kan geen cijns betalen. 
  4. De Kanaänieten woonden in het midden van Efraïm en Zebulon (vs. 29, 30). 
  5. De Aserieten woonden te midden der Kanaänieten, Naftali eveneens (vs. 32, 33). 
  6. Dan werd reeds door de Amorieten teruggedreven in het gebergte, en mocht zelfs in het dal niet meer komen (vs. 34). Spaar de vijand en hij zal u weldra in het woeste gebergte terugdrijven.

2. Wij zien hier de eigen-willige godsdienst afgebeeld. God had van het ten dele uitroeien, het terugdrijven en de cijns niets gezegd. De eigen-willige godsdienst wil altijd schipperen met Gods wil en tornen aan Zijn Woord. Het zal wel bijzonder strelend voor het Israëlitisch gemoed geweest zijn, om de vijand te doen dienen onder schatting en een flinke tol van hem te trekken. Voordelig ook trouwens! Maar dit was niet naar de geopenbaarde wil van God.

3. De jammerlijke gevolgen van de ongehoorzaamheid aan Gods Woord blijven nimmer uit. Langzaam maar zeker overvleugelde de gespaarde vijand Israël. Maar dat is nog het ergste niet. De toorn Gods ontsteekt steeds over de ongehoorzaamheid en de zonde van het compromis.

In de hoofdstukken 2 en 3 zien wij de geleidelijke achteruitgang van het volk van Israël:

  1. Israël sluit verbonden met de Kanaänieten (Richteren 2:2)
  2. Gemengde huwelijken (Richteren 3:5, 6)
  3. Israël dient de afgoden der heidenen (Richteren 2:13; 3:7)
  4. Gevolg: vernederende onderdrukking en slavernij (Richteren 2:14, enz.)
    De geestelijke toepassing van dat alles voor ons vinden wij in 2 Korinthe 6:17, 18.

Boven het boek Richteren zou als leidraad voor zijn geestelijke betekenis geschreven kunnen worden het bekende woord van Zacharia: “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de Heere der heirscharen”” (Zacharia 4:6).

Niet één van de gekozen bevrijders had iets waardoor hij in het vlees kon roemen. De komaf en positie van de richteren was over het algemeen niet erg hoog en vooraanstaand. Elk van de klassen – genoemd in 1 Korinthe 1:27-28 – vinden wij onder de richteren. Wij denken hierbij nog aan het woord van Christus tot Paulus: “Want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” (2 Korinthe 12:9).