Les 43 – Het Boek Hosea

Les 43 – HET BOEK HOSEA

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 43)

  1. Van welke profeet was Hosea een tijdgenoot?
  2. Beschrijf de morele en godsdienstige toestand van Israël in de tijd van Hosea.
  3. Hoe illustreerden gebeurtenissen in Hosea’s leven de toestand van Israël?
  4. Wat is de betekenis van de naam “Hosea”?
  5. Geef een logische indeling van het boek.
  6. Aan wie was zijn boodschap gericht?
  7. Verklaar de profetische betekenis van de namen van Hosea’s kinderen.
  8. Wat was Israëls zonde tegen Jehovah?
  9. Wat was het naderend oordeel?
  10. Welke belofte, gebaseerd op de voorzieningen van het Nieuwe Verbond, werd gegeven betreffende Israëls toekomst?
  11. Hoe is de verlossing van Hosea’s vrouw een illustratie van Gods verlossingswerk voor Israël?
  12. Noem een aantal profetieën van Hosea die reeds in vervulling zijn gegaan.
  13. Noem enkele profetieën betreffende de toekomst van Israël.
  14. Noem enkele profetieën betreffende Christus.
  15. Welke verzen in Hosea worden in het Nieuwe Testament aangehaald?

A. DE PERSOON VAN HOSEA

I. ZIJN PLAATS ONDER DE PROFETEN

Hosea mogen wij gerust beschouwen als één van de grootste profeten van Israël met een diensttijd van minstens vijftig jaren. Sommigen veronderstellen zelfs, op grond van hoofdstuk 1:1, dat zijn profetische dienst een periode van 72 jaren omvatte. Als wij aannemen dat hij zijn loopbaan op 20-jarige leeftijd begon, dan zou hij dus 92 jaar oud geworden zijn.

Evenals zijn grote tijdgenoot Jesaja, is zijn boodschap sterk “evangelisch” van karakter. Iemand heeft eens opgemerkt: “Hosea is de eerste profeet der genade, Israëls eerste evangelist”. Zijn geschriften worden in het Nieuwe Testament minstens vijf maal geciteerd en meestal in verband met de bekering, de verlossing en het herstel van Israël. Zie Mattheüs 2:15; 9:13; Romeinen 9:25, 26; 1 Korinthe 15:55; 1 Petrus 2:10.

II. DE TIJD WAARIN HIJ LEEFDE

Hosea profeteerde in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël (zie 1:1). Vergelijkt men deze opgave met Jesaja 1:1, dan ziet men duidelijk dat Hosea een tijdgenoot was van Jesaja; want hij profeteerde onder dezelfde koningen van Juda. Koning Jerobeam van Israël wordt bij Jesaja niet genoemd. Dat komt, omdat Jesaja in de eerste plaats profeteerde tegen Juda en Jeruzalem, terwijl Hosea voornamelijk profeteerde tegen Israël, het rijk van de 10 stammen.

III. ALGEMEEN OVERZICHT VAN DE TOESTAND VAN HET VOLK

Omdat de regerende koningen genoemd worden, hebben we de gelegenheid om ons een beeld te vormen van de toestand van het land en het volk, tot welk de profeet spreken moest.

1. Koning Uzzia (Azaria), zie 2 Koningen 15:1-7 en 2 Kronieken 26:13-18.
Deze Schriftplaatsen spreken van zijn grootheid; zij was niet een gevolg van eigen grootheid, maar hij zocht God en de profeet Zacharia. God maakte hem voorspoedig en hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk werd.

Maar op dit hoogtepunt gekomen, verhief zich zijn hart tot “verdervens” toe, dat hij ontrouw werd door de tempel binnen te gaan om reukwerk te ontsteken, een voorrecht dat alleen de priesters toekwam. Daarom werd hij tot zijn dood toe gestraft met melaatsheid. En hoe stond het volk tegenover de Heer? “Alleen verdwenen de hoogten niet; nog steeds slachtte en offerde het volk op de hoogten” (2 Koningen 15:4-5)

2. Koning Jotham, zie 2 Koningen 15:32-38 en 2 Kronieken 27:1-9
Deze regeerde reeds over het volk gedurende de melaatsheid van zijn vader Uzzia. “En hij deed dat recht was in de ogen des Heeren, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den tempel des Heeren niet ging; en het volk verdierf zich nog” (2 Kronieken 27:2). De hoogten waren namelijk niet weggenomen en het volk slachtte en offerde nog daarop. Overigens kon van hem getuigd worden, dat hij “zich versterkte; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht des Heeren, zijns Gods” (2 Kronieken  27:6).

3. Koning Achaz, zie 2 Koningen 16 en 2 Kronieken 28
“Hij deed niet dat recht was in de ogen des Heeren zijns Gods, als zijn vader David. Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen, die de Heere voor de kinderen Israëls verdreven had. Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte” (2 Koningen 16:2-4). “Hij maakte ook gegoten beelden voor de Baäls” (2 Kronieken 28:2). Op grond van deze zonden gaf God hem over in de handen van Syrië en Israël.

In plaats van hulp te zoeken bịj de Heer, wendde hij zich om hulp tot de koning van Assyrië en ging hem tegemoet te Damascus. Van een altaar dat hij daar zag, liet hij een afbeelding maken, en beval Uria, de priester, zulk een altaar te bouwen (2 Kronieken 28:16-25; 2 Koningen 16:10-18). Toen hij van Damascus terugkwam, offerde hij op dat altaar. Het koperen brandofferaltaar uit de tempel plaatste hij noordwaarts naast zijn altaar, om tot “onderzoeking” te dienen. Hij wilde nader overwegen wat hij met dit altaar zou doen, nu het feitelijk in onbruik was geraakt; hij wilde het gebruiken voor allerlei dingen in verband met de afgodendienst, nl. wichelarij, om verborgen zaken te weten te komen. Verder beroofde hij de tempel van zilver en goud en van allerlei sieraden.

Hulp zoeken bij de koning van Assyrië baatte echter niet, want de Heere vernederde het koninkrijk van Juda om de zonde van Achaz, omdat hij Juda aftrok van de Heere. Hij bekeerde zich echter niet, maar hij bleef de goden van Damascus offeren en zij werden hem en zijn gehele volk ten val. Niet alleen beroofde hij het huis des Heeren, maar hij sloeg ook de vaten in stukken en sloot de deur van de tempel toe. En alsof dat nog niet erg genoeg was, maakte hij zich altaren in alle hoeken van Jeruzalem; en in alle steden van Juda hoogten om andere goden te offeren; “alzo” verwekte hij de Heere, zijner vaderen God, tot toorn.

4. Koning Hizkia, zie 2 Koningen 18, 19 en 20 en 2 Kronieken 29-32
Hij was de tegenstelling van Achaz, want hij deed wat recht was in de ogen des Heeren naar alles, wat zijn vader David gedaan had. Hij deed het huis des Heeren weer open, hij verwijderde de offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen, hieuw de gewijde palen om, sloeg de koperen slang stuk, die Mozes gemaakt had, omdat zij ook daarmee afgoderij bedreven. Hij vertrouwde op de Heere, hing Hem aan en de Heere was met hem. Hoe hij de priesterstand vond bij het begin van zijn regering, ziet men uit 2 Kronieken 29:4-7 en 30:2-3.

De door Achaz gebouwde altaren en ook al de reukofferaltaren werden weggedaan (2 Kronieken 30:14), evenzo palen en gewijde stenen (2 Kronieken  31:1). Hoe jammer was het dat hij door de vele zegeningen hoogmoedig werd; gelukkig werd hij door de toorn Gods weer verootmoedigd (2 Kronieken 32:24-26). Onder de regering van zijn zoon Manasse gingen de vruchten van deze hervorming weer teniet.

5. Koning Jerobeam II, zie 2 Koningen 14:23-29
Hosea profeteerde ook in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, Jerobeam II (vgl. 1 Koningen 12:20). Hij deed wat kwaad was in de ogen des Heeren en week niet van al de zonden die Jerobeam I, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; zie hiervoor nader 1 Koningen 12:27-33 en 13:33-34. De Heere had gezien dat de ellende van Israël zeer bitter was, dat het zowel met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper was voor Israël, dus zonder verdediging en bescherming. Daarom verloste Hij hen door Jerobeam, maar koning en volk leefden voort in de afgodendienst.

IV. ZIJN PERSOONLIJKE GESCHIEDENIS

Het boek zelf is de enige bron van informatie betreffende het leven en de dienst van de profeet Hosea. De naam van de profeet, een afkorting van “Jehoshua”, betekent: “de Heere redt”, en is in de grondbetekenis dezelfde als de naam Jozua (Hebreeuws: “Jeshua”), de “Heiland” of “de Heere is Redder”. Deze naam is niet zonder betekenis, want dit boek schildert in krachtige taal zowel de buitengewone misdadigheid van de zonde als de buitengewone rijkdom van Gods liefde en genade in Zijn goedertierenheid voor de zondige mens, in Christus Jezus, van Wie Hosea in hoge mate een type was.

Hij was de zoon van Beëri (1:1). Verder is ons niets over zijn ouders of familieleden bekend. Van geen andere profeet echter hebben wij zulk een volledig beeld van zijn huwelijksleven. Want daarin ligt de eigenlijke boodschap van God voor Zijn volk. Dwars door de tragedie van zijn huwelijk en gezinsleven heen, kwam het Woord des Heeren tot hem. De diepe, persoonlijke smart die de profeet moest doormaken, vormde voor hem de voorbereiding van zijn grote levenswerk. Evenals elke andere dienstknecht van God moest Hosea niet alleen Gods boodschap doorgeven, maar ook Gods karakter uitbeelden in zijn persoonlijke leven. Hij moest in de school van smart en lijden onderwezen worden, opdat hij door zijn eigen verdriet heen het verdriet van God zou leren kennen.

In de hoofdstukken 1-3 lezen wij de geschiedenis van zijn ontrouwe vrouw Gomer, het symbool van de afgoderij van het volk in de ogen des Heeren. Hosea’s huwelijk leed op dramatische wijze schipbreuk. Uit het verhaal behoeven wij niet op te maken dat Gomer reeds vóór haar huwelijk een immorele vrouw was, hoewel 1:2 die gedachte wel zou kunnen wekken. Maar wij dienen te bedenken dat Hosea hier een terugblik werpt op zijn leven en de gebeurtenissen achteraf bespreekt. Zijn verslag over zijn huwelijk is sterk gekleurd door de gevoelens, waarmee hij erop terug zag.

“Het Woord des Heeren” begon tot hem te komen toen hij ontdekte dat het huwelijksverbond, eens door God tot stand gebracht, verbroken was door de ontrouw van zijn vrouw. Door deze smartelijke persoonlijke ervaring werden zijn ogen geopend voor de verschrikkelijke toestand waarin het volk leefde. Hij besefte dat hij niet de enige was die een dergelijke ervaring doormaakte, maar dat er vele gezinnen in Israël waren, die om dezelfde reden verwoest werden. Door zijn eigen lijden werd hij als het ware ondergedompeld in het lijden van zijn volk. Bovendien begon hij te beseffen dat zijn persoonlijke smart over zijn vrouw een zwakke weerspiegeling was van de smart van God over Zijn volk. Want Israël, met de tederste banden aan God verbonden, gedroeg zich op dezelfde wijze tegenover God als Gomer tegenover hem. Israël was de ontrouwe en overspelige vrouw van Jehovah.

Hosea gaf zijn kinderen symbolische namen. Zijn eerstgeboren zoon noemde hij Jizreël. Deze naam spreekt van het naderend oordeel van God over het volk, vanwege zijn ongerechtigheid (vgl. 2 Koningen 10). Het tweede kind noemde hij Lo-Ruchama, wat betekent: “geen ontferming”. Het is een heenwijzing naar de tijd, dat Israël – van God verlaten – zou worden overgegeven aan haar vijanden. Er werd nog een derde kind geboren, dat hij Lo-Ammi noemde, wat betekent: “niet-mijn-volk”. Evenals bij Lo-Ruchama blijkt uit deze naam dat Hosea zich bewust was niet de echte vader van dit kind te zijn (Hosea 2:3). De naam van dit derde kind is een profetie van de verdrijving van Israël uit het land in ballingschap.

Hosea geeft deze betekenisvolle namen aan zijn kinderen vanwege de toestand van Israël; zij zijn aanduidingen van het naderende onheil. Israël kende Gods liefde niet. Israël was door afgoderij van God afgevallen en bleef alleen nog maar in naam Gods eigendom. Na de geboorte van het derde kind liep Gomer van Hosea weg, en daarmee was het gezin verwoest. Maar zoals zo dikwijls het geval was met dergelijke arme vrouwen, werd zij al spoedig door haar minnaars in de steek gelaten en moest zij zichzelf in slavernij verkopen. Hosea’s liefde voor zijn ontrouwe vrouw bleef echter onveranderlijk. Op aandringen van God en gedreven door zijn weergaloze liefde, kocht hij Gomer vrij en betaalde hij de losprijs, bestaande uit “15 zilverlingen en 1 ½ homer gerst” (Hosea 3:1-2). Hij nam haar mee naar huis en herstelde haar uiteindelijk weer in haar positie. Daarna schijnt het huwelijk gelukkig geworden te zijn. Wij vinden in de hereniging van Hosea en Gomer een profetie van de komende hereniging van God en Zijn volk Israël, in een nieuw verbond. Zo was de profeet niet alleen Gods boodschapper van genade – hij weerspiegelde ook Gods karakter en hij voorafschaduwde Israëls verlossing door de Messias, en Israëls herstel als natie.

V. ZIJN BOODSCHAP

Het boek van Hosea, geladen met grote kracht en diepe bewogenheid, openbaart ons het hart van de man, die vanuit zijn eigen smartelijke ervaring kon binnendringen in de gemeenschap met God en kon spreken over de diepe dingen van God.

Evenals Ezechiël werd Hosea door God gebruikt als een teken. Daartoe moest hij een zwaar en smartelijk lijden ondergaan, om aan het volk van Israël zijn verschrikkelijke zondige toestand te kunnen illustreren. Door heel het boek heen vinden wij echter niet in de eerste plaats het gebroken hart van de profeet, maar de oneindige liefde en tederheid van het hart van Jehovah, Die het volk van Israël had afgezonderd als een “vrouw” voor Zichzelf.