Les 86 – De Openbaring van Johannes

Les 86 – DE OPENBARING VAN JOHANNES

I. ALGEMENE OPMERKINGEN

De Openbaring is, naar algemeen wordt erkend, een moeilijk boek, maar geen enkel echt kind van God zal beweren dat het een duister boek is. God Zelf heeft het “De Openbaring” genoemd: “De Apocalyps”, d.i. “de ontsluiering”. Dus in plaats van een onbegrijpelijk boek te zijn, een geschrift waarin de waarheid te diep verborgen ligt om ontdekt te kunnen worden, openbaart het juist de waarheid.

Om vijf redenen bevelen wij de studie van het boek Openbaring aan:

  1. Aan hem die het leest en aan hen die het horen, wordt een zegen beloofd. Men hoort wel eens zeggen dat die zegen beloofd wordt voor het lezen en horen, maar niet voor het begrijpen van deze profetie, maar dat is vrome onzin.
  2. De analyse of onderverdeling van het boek is eenvoudig en dit maakt het begrijpen gemakkelijker.
  3. De symboliek van het boek is bijbels. Als er nieuwe symbolen worden ingevoerd, dan worden die onmiddellijk verklaard (1:20; 7:13, 14).
  4. Het is (zoals reeds gezegd) een openbaring.
  5. Het is niet verzegeld (22:10, en vergelijk daarmee Daniël  12:9).

Opmerking bij punt 3

De voornaamste reden waarom dit boek dikwijls duister en geheimzinnig genoemd wordt, is dat het, zoals ook de oudtestamentische profetieën, vele symbolen bevat. De Geest heeft namelijk een overvloed van symbolen geplaatst, die de Bijbel in de loop der eeuwen heeft verzameld. De meeste gelovigen lezen echter hun Bijbel zó oppervlakkig en hebben zó weinig volharding in de studie van de typen en symbolen, dat zij van het laatste Bijbelboek nagenoeg niets begrijpen. Nu kunt u op tweeërlei wijze te werk gaan bij de bestudering van de Openbaring; u kunt de betekenis van een symbool naspeuren in de gehele Schrift, óf u kunt uw fantasie laten werken en gebruik maken van de veronderstellingen van de ongewijde geschiedenis. Helaas wordt de laatste methode het meest gevolgd.

Opmerking bij punt 4 en 5

Openbaring veronderstelt ontsluiering, ontdekking, van hetgeen verborgen of bedekt was. Letterlijk is “openbaring” het tegenovergestelde van “verberging” of “verborgenheid”. In essentie is dit Bijbelboek de openbaring van wat in Daniël nog verborgen moest blijven. Daarom heet Daniël verzegeld te zijn, maar Openbaring uitdrukkelijk niet! In Daniël ontbreekt in elk hoofdstuk wel iets. Soms is het Daniël zelf die in slaap valt, en dus wat mist. En dikwijls zijn de verschillende profetieën goed te volgen tot op een bepaalde gebeurtenis in het verleden, maar daarna bevinden wij ons plotseling in de tijd rond de komst van de Zoon des Mensen in heerlijkheid. De meest belangrijke sprong is waarschijnlijk die van de 69-ste week naar de 70-ste week in Daniël 9. Want hoe dan ook, wat van die 70 week wordt beschreven heeft nog niet plaats gevonden. Vandaar dat ook de nieuwtestamentische profetieën daaraan aanhaken.

“Wanneer gij zult zien … waarvan gesproken is door Daniël de profeet” (Mattheüs 24:15), waarna de Heere Jezus aankondigt “de grote verdrukking” van Daniël 12:1 en van Daniël 9:27. Naar diezelfde Schriftgedeelten wordt verwezen in 1 Thessalonicenzen 5; 2 Thessalonicenzen 2; Openbaring 6, 12 en 13. Het hele idee is dat na de 69 weken van Daniël, en dus na de zogeheten “intocht in Jeruzalem” (Lukas 19:28-44) het wachten is op het aanbreken van de 70-ste week, met daarin de grote verdrukking, in de tweede helft daarvan, uitlopend op enerzijds de verwoesting van Jeruzalem en anderzijds de officiële bekering van het Joodse volk en de verschijning van de Heer op de Olijfberg (Zacharia 14). Dat God intussen de heidenen heeft bezocht om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam, is wat Jakobus, de “broeder des Heeren” in Handelingen 15 plechtig meedeelt. Dat bleef in Daniël verborgen en daarom neemt Openbaring daarmee de draad weer op.

De aanleiding tot het schrijven van dit boek wordt duidelijk vermeld. De apostel was naar Patmos verbannen “om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus.” Hij was “in de Geest” op de “Dag des Heeren” en kreeg een visioen van de opgestane en verheerlijkte Christus en hem werd bevolen om hetgeen hij zag op te schrijven, om brieven te schrijven aan zeven gemeenten en voorts om een reeks openbaringen te noteren, deels hemels, deels aards, over toekomstige gebeurtenissen.

II. INDELING EN ANALYSE

De onderverdeling van de Openbaring vinden wij heel duidelijk omschreven in de opdracht aan Johannes in 1:19, namelijk: “Schrijf

1. hetgeen gij gezien hebt,

2. hetgeen is, en

3. hetgeen na dezen geschieden zal.”

Hetgeen Johannes gezien had, waren de visioenen van die eerste gedenkwaardige dag, beschreven in hoofdstuk 1. Maar wat wordt bedoeld met: “hetgeen is”? Blijkbaar iets wat toen bestond met betrekking tot Christus. Het Joodse godsdienstige systeem kon er nauwelijks mee bedoeld zijn, want zover wij weten waren, twintig jaren vóór de verschijning van Christus aan Johannes op Patmos, de tempel en Jeruzalem reeds verwoest. Met “hetgeen is” moet dus hier wel bedoeld zijn: de gemeenten.

In het visioen ziet Johannes Christus te midden van zeven gouden kandelaren, waarvan wordt gezegd dat het de gemeenten voorstelt. De opdracht is: “Schrijf het in een boek en zend het aan de zeven gemeenten” (1:11). In het eerste hoofdstuk schrijft Johannes dus wat hij gezien heeft, namelijk het visioen op Patmos. Daarna schrijft hij zeven boodschappen of brieven aan de zeven speciale gemeenten in Azië, een provincie van Klein-Azië (hoofdstuk 2 en 3). Deze twee hoofdstukken gaan uitsluitend over gemeenten en in geen van de verdere hoofdstukken van de Openbaring wordt over gemeenten gesproken. Het is dus duidelijk dat met “hetgeen is” de hoofdstukken 2 en 3 worden bedoeld.

Het derde bevel, namelijk het opschrijven van “hetgeen na dezen geschieden zal”, moet dus betrekking hebben op de rest van het boek.

Afdeling I – “hetgeen gij gezien hebt” – het visioen op Patmos – Openbaring 1
Sectie 1, Christus, de Koning, Openbaring 1

  1. Algemene inleiding (1:1-3)
  2. Speciale inleiding voor de gemeenten (1:4-8)

Groeten aan de gemeenten van Christus in Zijn ambten in het verleden, het heden en de toekomst.

Hij was “de getrouwe Getuige”.

Hij is “de Eerstgeborene uit de doden”.

Hij zal zijn “de Overste van de koningen der aarde”.

Wij worden dus in enkele verzen geconfronteerd met een volkomen Christus als Mens: levend en stervend op aarde, verheerlijkt in de hemel en wederkomend op aarde.

Let wel, dat Zijn komst hier wordt beschouwd met het oog op de “Dag des Heeren”. De opname van de Gemeente vinden wij hooguit zijdelings aangeduid in 4:1. 

In dit gedeelte komt een belangrijk symbool voor: “de zeven geesten die voor Zijn troon zijn”. Het getal zeven komt veel voor in de Openbaring. Het betekent: volheid of volledigheid. Het is verwarrend om zeven het getal der volmaaktheid te noemen, want dan lijkt het alleen van toepassing te zijn op goede dingen, terwijl het dikwijls gebruikt wordt voor slechte dingen (zie Markus 16:9; Openbaring 13:1, enz.). Hier betekent het dus de volheid of de volledigheid van de Geest (Zie ook Jesaja 11:2).

3. Het visioen (1:9-20)

Hier vinden wij vele symbolen:

Gouden kandelaren – gemeenten (1:20)
Een gouden gordel – dienst (Lukas 12:37; Johannes 13:14)
Vuur – ontdekkend en louterend oordeel (1 Korinthe 3:13; Maleachi 3:2, 3)
Sterren – engelen der gemeenten (1:20)

Deze verklaringen worden gegeven voor de betekenis van “engelen”:

  1. Het zijn oudsten of ouderlingen geweest.
  2. Aan iedere gemeente was een beschermengel gegeven.
  3. Het waren afgezanten van de zeven gemeenten, die bezorgd waren over de toestand van de hoogbejaarde apostel.
  4. Engelen zijn geesten: zij duiden op de geestelijke toepassing van deze brieven.

De laatste verklaring lijkt ons het meest aannemelijk. De zaak is overigens niet van zoveel betekenis, omdat:

  1. de gemeenten en niet de “engelen” worden bedoeld en
  2. omdat de inhoud van deze brieven een veel groter gebied heeft bereikt dan de zeven genoemde gemeenten.

Afdeling II: “hetgeen is” – Openbaring 2 en 3Sectie 2,
Het verborgen Koninkrijk: de Gemeente, Openbaring 2 en 3

Hier komen wij al dadelijk voor een aantal vragen te staan:

Waarom moest zo’n groot deel van zo’n klein boek besteed worden aan een uitgebreid overzicht over de geestelijke toestand van deze zeven plaatselijke gemeenten? Waarom werden uit de honderden gemeenten die toen bestonden, speciaal deze zeven gemeenten uitgekozen? Waarom bestrijken de vermaningen en beloften een veel groter gebied dan deze gemeenten, namelijk eenieder “die oren heeft”?

Waarom wordt kennelijk bedoeld dat deze vermaningen door alle christenen gelezen zullen worden en niet alleen door de speciale gemeenten aan wie ze gericht zijn? “Hoor wat de Geest tot de gemeenten (meervoud) zegt.”

Het antwoord op deze vragen is, dat deze gemeenten gekozen werden en de boodschappen zó werden gerangschikt, omdat zij in deze volgorde de zeven belangrijkste fasen van de kerkgeschiedenis voorafschaduwden, vanaf de apostolische tijd tot de opname van de ware gelovigen en de afval van de belijdende kerk. (Deze geestelijke betekenis wordt eveneens gesuggereerd door het gebruik van de begrippen “verborgenheid” en “ster”.) In deze twee hoofdstukken wordt ons dus door de Geest der profetie in symbolen de geschiedenis van de kerk verteld. Dit moet wel zo zijn, want:

  1. Het is niet aannemelijk, dat in een nieuwtestamentisch profetisch boek (1:3) geen enkele profetie te vinden zou zijn, betrekking hebbende op de lange periode van de bedeling der genade, waarin de gemeente wordt geformeerd.
  2. De Brieven aan de zeven gemeenten geven een voorafschaduwing, die verder in het gehele boek niet meer voorkomt. Na 3:22 komt het woord “gemeente” niet meer voor.
  3. Het symbolische getal zeven wijst op iets dat volledig is.
  4. Het is niet aan te nemen, dat zoveel ruimte wordt gegeven voor deze gemeenten als er geen symbolische betekenis achter schuilt.
  5. De brieven staan in het meest symbolische boek van de Bijbel, het boek der “tekenen”.
  6. De boodschappen aan de zeven gemeenten gaan ver uit buiten deze gemeenten. Voor alle gelovigen geldt de vermaning: “Hoor, wat de Geest tot de gemeenten zegt”.
  7. Tenslotte het meest afdoende argument: Deze boodschappen van Christus geven inderdaad een juist beeld van de geschiedenis van de uitwendige kerk en precies in de gegeven volgorde.

Als Efeze de gemiddelde geestelijke toestand weergeeft van de gemeenten bij het eind van de apostolische tijd (en alle verdere berichten bevestigen dit) dan stelt Smyrna heel juist de tijd der vervolgingen voor; Pergamus de afval naar gelijkvormigheid aan de wereld na de bekering van Constantijn; Thyatire de periode van de volle ontwikkeling van de Roomse kerk, enz. 

De overeenkomsten zijn zo nauwkeurig en zo talrijk, dat toeval is uitgesloten. Deze boodschappen hebben een viervoudige toepassing:

  1. Profetisch, omdat zij zeven opeenvolgende fasen openbaren van de geschiedenis van de “kerk” vanaf ongeveer 96 na Christus tot het einde.
  2. Plaatselijk, gericht tot de genoemde gemeenten.
  3. Vermanend, als toetsstenen waaraan alle gemeenten van alle tijden hun geestelijke toestand kunnen toetsen.
  4. Persoonlijk, ook individuele gelovigen kunnen hierdoor het kwade in zichzelf onderkennen.

U moet wel bijzondere aandacht schenken aan de volgende kenmerken betreffende de samenstelling van deze boodschappen:

  1. Christus wordt altijd voorgesteld in een karakter, dat past bij de morele toestand van de geadresseerde gemeente. Dit is van het grootste belang, want het openbaart de houding van Christus jegens de speciaal aangeduide gebreken.
  2. De prijzenswaardige dingen in de gemeente (als er althans iets te prijzen valt), worden altijd het eerst vermeld. De Heere wandelt niet te midden van de kandelaren alleen maar om het kwade op te merken.
  3. Wat verkeerd is, wordt aangewezen en berispt.
  4. Daarna volgen wenken en beloften, speciaal voor “wie overwint”. De beloften aan de overwinnaar roepen op tot persoonlijke gehoorzaamheid, als de heersende omstandigheden ongunstig zijn.

De onderverdeling van dit tweede deel is natuurlijk als volgt:

1. Brief aan Efeze – Openbaring 2:1-7

De algemene toestand in de gemeenten aan het einde van de eerste eeuw. Lof voor hun goede werken, hun geduld, hun ijver en hun verwerping van een verkeerd kerksysteem (vs.2, 3, 6). Efeze wordt vertaald met “verlangde” of “geliefde”.

N.B. Een enkel woord over “de werken der Nicolaïeten”. Vele Bijbelse woordenboeken noemen de Nicolaïeten een sekte, “volgelingen van een zekere Nicolaüs”. Daarvoor is echter geen enkel bewijs. Het wordt afgeleid van de verzen 6 en 15. Wij menen de volgende verklaring te kunnen geven: Nicolaïeten is een samengesteld Grieks woord: nico-laüs, hetgeen betekent: “overwinnaars van het volk”. Onder “het volk” moeten we dan verstaan: “de leken”. Hieruit blijkt dat er toen reeds een begin was te bespeuren van priesterlijke heerschappij. Herders of ouderlingen van de gemeente werden verheven tot een soort “geestelijkheid” in tegenstelling tot de gelijke broederschap en het algemeen priesterschap van alle gelovigen (1:6; Mattheüs 23:8; 1 Petrus 2:9). Deze verklaring wordt bevestigd door de nadruk, die Christus legt op Zijn veroordeling: “Welke Ik ook haat”. Historisch staat vast, dat het bederf in de Christenheid is ontstaan door de aanmatiging van de priesters. Het pausdom was daarvan een logische voortzetting.

De algemene toestand van de gemeente was bewonderenswaardig. Maar de Geest legt de vinger bij een noodlottig gebrek: “Gij hebt uw eerste liefde verzaakt”. Eerste liefde neemt de gehele persoon in beslag en wenst boven alles in de tegenwoordigheid van de geliefde te verkeren. Dat was de gemeente kwijt. Zij had Hemzelf vervangen door “om Zijns Naams wil” (vs.3). Dat dit gebrek zeer ernstig wordt genomen, blijkt uit wat onmiddellijk volgt: “Ik zal u haastelijk bij komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert” (vs.5).

2. Brief aan Smyrna – Openbaring 22:8-11

Smyrna is mirre, bitterheid. Deze gemeente bevindt zich in een hevige vervolging. Wegens sympathie met hen wordt wat mogelijk verkeerd was, niet vermeld. Christus bemoedigt hen. Hij is Zelf ten dode toe vervolgd en Hij leeft: zo zal het ook met hen gaan. Historisch hebben wij hier de periode van de tien grote georganiseerde vervolgingen, die eindigden bij de bekering van keizer Constantijn (60- 316 na Chr.). “Gij zult een verdrukking hebben van tien dagen” (vs. 10). Als volgt: 

  1. 54-68 – Nero             (Jaartallen vanaf de regeerperiode der keizers)
  2. 81-96 – Domitianus
  3. 98-117 – Trajanus
  4. 117-138 – Hadrianus
  5. 193-211 – Septimus Severus
  6. 235-238 – Maximinus I
  7. 249-251 – Decius
  8. 254-260 – Valerianus
  9. 270-275 – Aurelianus
  10. 284-305 – Diocletianus