De twaalf apostelen

De twaalf apostelen in de Evangeliën en in Handelingen 1

In drie van de vier Evangeliën worden de 12 apostelen (= gezondenen door de Here Jezus persoonlijk) genoemd. Paulus werd later de 13e apostel. (Handelingen 9). In het Johannes-Evangelie (hoofdstuk 1), gericht op de Here Jezus als Priester (Zoon van God), worden slechts 4 discipelen met name genoemd, waarvan één onder een andere naam. Twee zonen van Zebedeüs worden ook genoemd, maar niet met hun eigen naam (Johannes en Jakobus). In Handelingen 1 staat de laatste opsomming.

De eerste opsomming van de 12 apostelen is in Mattheüs. Dat is het Evangelie met de nadruk op Jezus als Koning. Hoofdstuk 10 : 2-4:

  1. Simon, gezegd Petrus,
    (ook “Cefas” genoemd in het Aramees; Johannes 1 : 43: “de zoon van Jonas” (“Simon, Bar-jona”; Mattheüs 16 : 17); 
  2. Andreas, zijn broeder (die kwam als eerste tot geloof, maar de 2e, Petrus, wordt “tot eerste gesteld”.)
  3. Jakobus, de zoon van Zebedeüs
  4. Johannes, zijn broeder (vleselijke broer van Jakobus dus)
  5. Filippus (niet dezelfde als in Handelingen)
  6. Bartholomeüs, (zoon van Tholomeüs, algemeen aangenomen Nathanaël, alleen genoemd in Johannes 1 en 21)
  7. Thomas (“gezegd Didymus” in Johannes 20 : 24; dídymus van Gr. didŭmos, betekent: dubbel, in paren geplaatst,
    uit twee geheel of gedeeltelijk gescheiden helften bestaand.)
  8. Mattheüs, de tollenaar (“Levi” in Markus 2 : 14 en Lukas 5 : 27, 29).
  9. Jakobus, de zoon van Alfeüs
  10. Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs (“Judas, de broer van Jakobus” in Handelingen 1, “Judas Jakobi” in Lukas 6 en  Thaddeüs in Markus 3)
  11. Simon Kananites
  12. Judas Iskariot, “die Hem ook verraden heeft”.

De tweede opsomming is in Markus. Dat is het Evangelie met de nadruk op Jezus als Dienstknecht. 3 : 14, 15:

“En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken; En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.”

Vanaf vers 16, in iets andere volgorde:

  1. Simon, door Jezus genaamd: Petrus
  2. Jakobus, de zoon van Zebedeüs (genoemd “Boanerges, hetwelk is, zonen des donders”; vers 17)
  3. Johannes, de broer van Jakobus (genoemd “Boanerges, hetwelk is, zonen des donders”; vers 17)
  4. Andreas (kwam samen met zijn broer Simon ook uit Betsaïda, net als Filippus.
  5. Filippus (kwam uit Bethsaïda, noordelijke oever meer van Galilea. Betekent “huis (of plaats) van visserij”, “vishuis”.
  6. Bartholomeüs (“Bar” = “zoon”; dus Bar-tholomeüs is “zoon van Tholomeüs”)
  7. Mattheüs
  8. Thomas
  9. Jakobus, de zoon van Alfeüs
  10. Thaddeüs (Judas, de broer van Jakobus in Handelingen 1, Judas Jakobi in Lukas 63 en Lebbeüs / Thaddeüs in Mattheüs 10)
  11. Simon Kananites (= Kanaäniet; King James: “Simon the Canaanite”)
  12. Judas Iskariot, “die Hem ook verraden heeft”.

De derde opsomming (ook net iets anders) staat in Lukas, het Evangelie met de nadruk op Jezus als Mens. 6 : 13-15: “En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde”:

  1. Simon, welken Hij ook Petrus noemde
  2. Andreas zijn broeder
  3. Jakobus
  4. Johannes
  5. Filippus
  6. Bartholomeüs
  7. Mattheüs
  8. Thomas
  9. Jakobus, den zoon van Alfeüs
  10. Simon, genaamd Zelotes (= Grieks voor “Kananites”)
  11. Judas Jakobi, (Judas, de broer van Jakobus in Handelingen 1, Thaddeüs in Markus 3 en Lebbeüs / Thaddeüs in Mattheüs 10)
  12. Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

De vierde – incomplete – “opsomming” is in Johannes 1 : 35-52

  1. Andreas, de broeder van Simon Petrus
  2. Petrus, “gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus”.
  3. Filippus (betekent “paardenvriend”)
  4. Nathanaël (“een Israëliet”; vers 48; = Bartoloméüs)
  5. De zonen van Zebedeüs; dat zijn Johannes en Jakobus, met z’n tweeën, die horen bij elkaar, maar zij worden niet met name genoemd en toch is het direct duidelijk wie het zijn. Samen zijn zij een uitbeelding van de Gemeente.

De vijfde opsomming is in Handelingen, geschreven door Lukas: een Syriër, uit Antiochië, arts en leerling van de apostelen. Hij schrijft aan Theofilus, wat betekent “bij God geliefd”. Hoofdstuk 1 : 13:

“En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.”

Dit is direct ná de hemelvaart van de Here Jezus Christus. In de opperzaal waren 11 apostelen, met name genoemd, in een iets andere volgorde. Het begint nu ook met Petrus.

  1. Petrus
  2. Jakobus
  3. Johannes
  4. Andreas
  5. Filippus
  6. Thomas (die precies één week ná de opstanding tot geloof kwam; Johannes 20)
  7. Bartolomeüs
  8. Mattheüs
  9. Jakobus (de zoon van Alfeüs)
  10. Simon Zelotes (in Mattheüs 10 en Markus 3: Simon Kananites)
  11. Judas, de broer van Jakobus (“Judas Jakobi” in Lukas 6 : 16 en “Lebbeüs /Thaddeüs” in Mattheüs 10 en Markus 3)

T.o.v. Mattheüs 10, Markus 3 en Lukas 6 wordt in Handelingen 1 niet genoemd: “Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft”. De “nieuwe Judas” in de opsomming, namelijk “de broer van Jakobus” is “Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs” uit Mattheüs 10 en Markus 3 en “Judas Jakobi” uit Lukas 6. 

In Mattheüs en Markus wordt hij niet genoemd onder de naam “Judas”. Deze naam “Juda” was eerst verborgen, maar wordt hier nu wel genoemd i.v.m. “de twaalf in de opperzaal”. De “eerste Juda” had plaatsgemaakt voor “de tweede Juda”. In Johannes 14 : 22 heet hij: “Judas, niet de Iskariot”. Hij vroeg aan de Here Jezus: “Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?”

Aan het eind van Handelingen 1 wordt het getal 12 weer in orde gebracht. Het hoort nog steeds bij dezelfde “gebeurtenis”, vanaf de hemelvaart van de Here Jezus. Het gaat om de “vervanging van Juda door Jozef”. Maar dat is op het eerste gezicht verborgen, wat heel normaal is, als het gaat over “Jozef”, dat staat voor de 10 stammen Israëls.

Matthias – Jozef

Matthias (Handelingen 1 : 23 en 26) werd via lotsbestemming gekozen. De keuze was tussen Jozef, Barnabas én  Matthias (Mattias). Jozef (Barnabas) werd het niet, maar hem komen we nog wel tegen in Handelingen 4 : 36: 

“En Joses (Griekse vorm van “Jozef”), van de apostelen toegenaamd Barnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus.”

Uit de studie “Handelingen”:

“De plaats van Juda wordt ingenomen door Matthias. De plaats van het Joodse volk, van Juda zo te zeggen, wordt ingenomen door Jozef. In de praktijk dus, door wat je zou kunnen noemen de zoon van Jozef, namelijk door de Gemeente.”

“De andere kandidaat was Matthias, Mathatja, Mattathias, dat zoveel betekent als: “geschenk, gave van Jehovah”. Die wordt daarna nergens meer genoemd, behalve dan dat gezegd wordt dat hij die positie krijgt. Matthias, is een beeld van de 10 stammen van Israël. Daarna kun je Matthias, of Mattathias, terugvinden in Lukas 3. Dat is niet dezelfde man, maar wel dezelfde naam. In Lukas 3 : 24, 25, staat: “… de zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef, de zoon van Mattathias”. Dat is een andere Jozef en een andere Matthias of Mattathias. Het gaat om de typologie en om de betekenis die aan die namen hangt. Dus al had je de naam Jozef in Handelingen 1 niet en je had wel de naam Mattathias uit Handelingen 1, dan kom je, via de concordantie, in Lukas 3 terecht en is hij de vader van Jozef. Via beide routes krijg je dan toch de naam van Jozef genoemd.”

“Het noemen van deze twaalf discipelen, rijmt op 12 stammen van Israël. 12 geeft in het algemeen uitdrukking aan heerschappij, aan heerlijkheid. Dat deze allen “waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken” betekent dat ze samen de verantwoordelijkheid dragen. En dus heerschappij. Het is opvallend dat dat woord “eendrachtelijk” ineens hier in Handelingen 1 en 2 genoemd wordt. In hoofdstuk 2 zijn ze nog steeds “eendrachtelijk bijeen en volhardende in de leer der apostelen”. Dat is wat de Gemeente zou doen. Als één geheel, als één Lichaam, één Gemeente, samen of gezamenlijk dragen. Dat is wat de ezel, als beeld van de Gemeente, zou doen.”


De twaalf apostelen