Les 25 – Het eerste Boek der Koningen

Les 25 – HET EERSTE BOEK DER KONINGEN

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 25)

  1. Waaraan is het boek 1 Koningen voornamelijk gewijd?
  2. Welke “sleutelwoorden” vinden wij in dit boek?
  3. Welke oorzaken hebben geleid tot de verdeling van het Koninkrijk?
  4. Waarom kent de geschiedenis het rijk van David en Salomo niet?
  5. In welke opzichten is Salomo een type van Christus?
  6. Welk onderscheid is er typologisch tussen de tabernakel en de tempel?
  7. Waarom is de tempel van Salomo een type van de Gemeente?
  8. Naar welke tijd wijst het optreden van Elia, en waarom?

In dit boek vinden wij het verslag van de geschiedenis van Israël vanaf het punt waar 2 Samuël eindigde. In 1 en 2 Samuël wordt het eind van de Richteren-periode beschreven en het begin van het Koningen-tijdperk; de verwerping van de theocratie en de oprichting van de monarchie.

In deze beide boeken van Samuël lazen wij de geschiedenis van de eerste twee koningen over de twaalf stammen van Israël: Saul en David.

Het boek 1 Koningen zet de geschiedenis van Israël voort en beschrijft ons eerst de regering van de zoon van David: Salomo. Onder zijn machtige en glorieuze heerschappij beleefde Israël “de gouden eeuw” van zijn geschiedenis. Na zijn dood werd het koninkrijk echter in tweeën gescheurd: het 10-stammenrijk (Israël) en het 2-stammenrijk (Juda). Zie de kaart (ook als PDF)

Kaart_koningen_en_profeten_les_22_en_25

Het boek bevat verder de geschiedenis van de twee koninkrijken tot aan de regering van Joram over Juda en Ahazia over Israël. Verder vinden wij in dit boek de geschiedenis van de machtige dienst van de profeet Elia onder zijn volk.

De schrijver van het boek is onbekend. In elk geval werd het geschreven vóór de verwoesting van de eerste tempel (8:18) Daarom wordt algemeen aangenomen dat Jeremia, geïnspireerd door God, het geschreven heeft; aangevuld met enkele documenten van Nathan en Gad (1 Kronieken 29:29) en andere schrijvers. Het gehele boek omvat een periode van 118-125 jaren.

I. BOODSCHAP

  1. Dit boek toont ons de oorzaken die geleid hebben tot de oprichting en de onder-gang van het Koninkrijk. Jehovah, de Soevereine Heerser van Israël zegent het volk op grond van gehoorzaamheid; straft het volk op grond van ongehoorzaamheid; vergeeft het volk op grond van boetedoening en belijdenis. Het visioen in 22:19 is zeer belangrijk. God zat als Soeverein op Zijn troon; Hij betoont genade aan de boetvaardige en gehoorzame en deelt straf uit aan de zondaars.
  2. Let op de nieuwe maatstaf: “Gelijk zijn vader David” (3:3, 14; 9:4; 11:4; 11:33, 38; 14:8; 15:3, 11).

II. SLEUTELVERZEN: 2:12; 11:13.

Sleutelwoorden: “Koning” (250 maal) en “Profeet” (43 maal).

III. BIJZONDERHEDEN

  1. In 1:50 en 2:28 zien wij, dat voor de eerste maal gebruik gemaakt wordt van de hoornen van het altaar, als een schuil- en wijkplaats; dus de eerste aanspraken op het recht van asiel.
  2. In 8:54 is voor de eerste maal in de Bijbel sprake van knielen bij het gebed. Aanvankelijk was de gebedshouding: staan. Ook Salomo stond eerst, alvorens hij knielde (1 Koningen 8:22). Aanbidders van Baäl bogen hun knieën.
    Dat verklaart Richteren 7:5-7. Van Gideons troepen werden 9700 verworpen, omdat zij hun knieën bogen en daardoor bewezen dat zij afgodendienaars waren. Slechts de 300, die het water met hun tong opslurpten werden aanvaard. Zie in dit verband ook 1 Koningen 19:18. Het knielen bij het gebed is voor ons echter geheiligd, sinds de Heiland Zelf deze houding bij het bidden aannam (Lukas 22:41).
  3. Hier vinden wij ook de eerste aanwijzing van een nieuwe en Goddelijke chronologie (d.i. tijdrekening). In 1 Koningen 6 lezen wij dat de periode tussen de uittocht uit Egypte en het begin van de tempelbouw onder Salomo 480 jaren duurde. In werkelijkheid duurde zij echter 594 jaren. Dat is voor velen een struikelblok gebleken. Maar het verschil van 114 jaren omvat precies de tijd van Israëls gevangenschappen en verdrukkingen in het boek Richteren. Dit is de oplossing van het probleem. Dit is Gods geestelijke chronologie. Gedurende deze 114 jaren was Israël niet onder Isra-El, niet onder de regering van God, maar onder de hiel van de onderdrukker. God telde de jaren van Israëls gevangenschappen niet mee. De jaren, doorgebracht in ongehoorzaamheid aan Zijn wil, worden door Hem niet geteld. De zonde en de zonden van deze jaren worden gedacht, totdat zij beleden zijn; maar de jaren worden door Hem beschouwd als verloren en verspild.
  4. Wij hebben in 5:5 en 8:17 de eerste duidelijke vermelding in het Oude Testament van een wonderbare geestelijke voorstelling van God. De tempel werd niet gebouwd als een Huis voor de Heere, maar voor “de Naam des Heeren”.
    Heidense tempels werden door hun bouwers beschouwd als de werkelijke verblijfplaats voor hun goden. Salomo wist beter! De uitdrukking “Naam des Heeren” is daarom veelbetekenend!
  5. Let op de woorden “zijn God” en “mijn God” (5:3, 4). Salomo verheugde zich erin dat de God van zijn vader David ook zijn God was geworden.
  6. Let nog op de volgende punten:
    1. De oude strijder Joab was de eerste, die het geluid der bazuinen hoorde (1:41).
    2. In 8:12 lezen wij dat de Heer in donkerheid zou wonen. Deze woorden zijn voor duizenden beproefde zielen tot troost geweest. Verkeert u in geestelijke donkerheid? Verblijdt u, want Hij is met u in die donkerheid!
    3. De onverwachte en merkwaardige voorstelling van Israëls roeping en opdracht in de wereld (8:23, 53, 60). Welk een tijd zal er voor de wereld aanbreken als Israël zijn roeping zal gaan beseffen en zijn opdracht als priesterlijk en koninklijk volk gaat vervullen!

IV. DE INHOUD

Het is een droevig gezicht te zien hoe het met een sterke veelbelovende jongeman op het hoogtepunt van zijn invloed en macht bergafwaarts gaat, om fysiek mentaal en moreel steeds dieper weg te zinken, totdat hij slechts een karikatuur is van wat hij ooit was. Dit is het beeld van een natie, zoals ons in 1 Koningen wordt getekend.

In de eerste 11 hoofdstukken wordt deze bevoorrechte en gezegende natie ons getoond aan het toppunt van haar roem, macht en invloed.

Davids succesvolle oorlogen hadden haar grenzen aanzienlijk uitgebreid en zelfs vele omliggende naties, zoals Ammon, Moab en Edom, onder haar controle gebracht. Zelfs waren garnizoenen gelegerd in Damascus.

Deze welvaart handhaafde en vermenigvuldigde zich onder de regering van Salomo. Hoewel Salomo een “vrede-koning” was en geen oorlogen voerde, bracht hij het land tot ongekende ontwikkeling. Hij breidde de buitenlandse handel uit, bracht grote bouwwerken tot stand en voerde het volk tot een hoogtepunt van beschaving. De schittering en heerlijkheid van Salomo’s hof wekte de bewondering en de afgunst van alle omringende naties. Maar vanaf hoofdstuk 12 begint de afdalende lijn, die doorloopt in 2 Koningen en eindigt met de ondergang en de ballingschap van de eens zo machtige en roemrijke natie!

Dat de ongewijde geschiedenis dit grote rijk van David en Salomo niet kent, is omdat men het toeschrijft aan de Feniciërs, die men ten onrechte beperkt tot Tyrus en Sidon etc. en niet ziet dat David zowel als Salomo zeer nauw samenwerkten met Hiram van Tyrus. Ook in de bouw van het paleis en de tempel te Jeruzalem. De naam Fenicië is trouwens van toepas-sing op de gehele Levant, zijnde de oostkust van de Middellandse Zee, inclusief Israël. Bij Feniciërs zou men in de eerste plaats moeten denken aan David en Salomo!

Salomo, hoewel buitengewoon wijs in vele dingen, was helaas dwaas in zijn ongehoorzaamheid aan God en in zijn verdraagzaamheid jegens afgoderij. Bovendien verwekten zijn hoge belastingheffingen zulk een ontevredenheid onder het volk, dat kort na zijn dood tien van de twaalf stammen in opstand kwamen tegen het gezag van Salomo’s zoon Rehabeam. Zij vormden een afzonderlijk koninkrijk in het noordelijk deel van het land, bekend onder de naam “Israël”. De twee stammen die trouw bleven aan Salomo’s zoon werden sindsdien “Juda” genoemd. Zie de kaart. Dat was het begin van het Verdeelde Koninkrijk.

Het 10-stammenrijk werd opgericht in afgoderij, zoals blijkt uit 1 Koningen 12:25-33 en de dingen gingen spoedig van kwaad tot erger. Voordat 1 Koningen sluit had Achabs goddeloze koningin Izebel de Baäldienst tot staatsgodsdienst verheven. Al heel spoedig daarop was Izebels goddeloze dochter, Athalia, koningin op de troon van Juda, en de Baäldienst doordrong ook het geestelijk leven van Juda. Welk een totale ondergang ging de gehele natie tegemoet, en dat alles omdat zij weigerden God als hun Koning te erkennen en te gehoorzamen.