Les 40 – De profetische Boeken

Les 40 – DE PROFETISCHE BOEKEN (HOOFDSTUK 4)

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 40)

  1. Beschrijf de functie en het ambt van een oudtestamentische profeet.
  2. Welke drie elementen kunnen wij in de boodschap der profeten onderscheiden?
  3. Waarin vindt de profetie zijn oorsprong? Noem enkele voorbeelden.
  4. Werden de profeten letterlijk geïnspireerd? Hoe kunt u dat met voorbeelden aantonen?
  5. Wat verstaan wij onder profetisch perspectief?
  6. Noem enkele profetieën betreffende Israël, die reeds vervuld zijn.
  7. Noem enkele profetieën betreffende Israël, die nog niet vervuld zijn.
  8. Noem enkele profetieën betreffende leven, sterven, opstanding, hemelvaart en wederkomst van Christus.
  9. Waarom is “toeval” bij de vervulde profetieën uitgesloten?
  10. Komt de Gemeente in de profetieën voor?
  11. Op welke vier punten in de geschiedenis zijn de profetische uitspraken gericht?
  12. Hoe kunnen wij de profetische boeken indelen?

Alvorens de profetische boeken afzonderlijk te behandelen, willen wij eerst een algemene blik werpen op het profetisch woord in zijn geheel.

I. DEFINITIE VAN PROFETIE

De Bijbel zelf geeft ons een gezaghebbende definitie van het ambt en de functie van de profeet. “De Heere echter zeide tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Farao; en Aäron, uw broeder, zal uw profeet zijn. Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; … en de woorden in zijn mond leggen” (Exodus 7:1; 4:15). Geen definitie kan duidelijker zijn dan deze. Door Goddelijke beschikking zou Mozes tegenover Farao de positie van God innemen, terwijl Aäron als de profeet van Mozes zou optreden en van hem de boodschap ontvangen, die hij aan de koning had door te geven. Aäron was dus in zijn functie “de mond van Mozes”. Zo was de profeet “de mond van God”.

II. DE BELANGRIJKHEID VAN DE PROFETIEËN

De profetieën nemen in het Woord van God een zeer belangrijke plaats in. Bijna een derde gedeelte van de Heilige Schrift is profetisch. Hoe belangrijk is het dus dat wij de profetieën ernstig en biddend bestuderen en trachten met behulp van de Heilige Geest hun betekenis enigszins te verstaan. Profetie is Gods openbaring van Zijn plannen aan Zijn kinderen. Zij werd gegeven, niet slechts voor tijdelijk gebruik, maar voor alle eeuwen en voor alle mensen. Paulus verklaart:

“Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden”. (Romeinen 15:4)

Profetie kan alleen van God komen, want Hij alleen kent het einde vanaf het begin. Christus zei tot Zijn discipelen: “Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt” (Johannes 15:15). Abraham werd “de vriend van God” genoemd; en toen God op weg was om Sodom te verwoesten, zei Hij: “Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?” (Genesis 18:17). Bij de bestudering van de profetische boeken dienen wij steeds te beseffen dat God Zich tot ons neerbuigt om ons Zijn plannen te ontvouwen.

“Gewisselijk, de Heere Heere zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe” (Amos 3:7).

III. DRIE ELEMENTEN IN DE PROFETIEËN

We kunnen drie elementen onderscheiden in de boodschap van de profeten:

1) De profeten hadden een boodschap voor hun tijd
Hun uitgangspunt was altijd de soevereiniteit van God. Soms spraken zij met de stem van de donder, soms met de tederheid van de liefde, maar altijd spraken zij in Gods Naam en met Zijn gezag. Hun vlammend protest tegen dingen, die met Zijn wil in strijd waren, was altijd zonder compromis en absoluut zonder vrees voor de consequenties. Zij hadden uitsluitend de eer en de heerlijkheid van God op het oog. Het falen van Israël, om God te verheerlijken tegenover de omringende naties, vervulde hen met diepe smart en heilige passie. Maar door alles heen blijkt steeds hun rotsvaste overtuiging, dat God uiteindelijk zal triomferen en dat al Zijn plannen en raadsbesluiten zullen worden vervuld.

2) De profeten voorzegden toekomstige gebeurtenissen
Een groot deel van de boodschap was voorzeggend. De voornaamste elementen van hun profetieën waren:

  1. Het falen van Gods uitverkoren volk
  2. Het daaropvolgend oordeel van God over Zijn volk
  3. Gods oordeel over de omringende naties
  4. De komst van de Messias en Zijn verwerping
  5. Zijn wederkomst in heerlijkheid en het herstel van het uitverkoren volk
  6. De oprichting van het Messiaanse Koninkrijk over de gehele aarde

3) De profetische boeken bevatten een levende boodschap voor onze tijd
De ontmaskering en berisping van zonden en het beroep op Gods eer en heerlijkheid zijn vol lering voor onze tijd. De profeten veroordeelden voornamelijk afgoderij, de zonde en de dwaasheid van het aanbidden van “hout en steen”, voorwerpen van menselijke makelij en al de morele ongerechtigheden die daarmee gepaard gingen. Onder vele miljoenen van het “christendom” (het Rooms Katholicisme) leeft vandaag de afgoderij nog voort in de aanbidding van beelden en prenten, waaraan nog is toegevoegd de aanbidding van het hostie-brood in de mis als God Zelf!

IV. DE OORSPRONG VAN DE PROFETIE LIGT IN DE MENSELIJKE NOOD

De val van de mens in de hof van Eden leverde de eerste belofte op van de Grote Verlosser in de Persoon van het “Zaad der vrouw”. Israëls slavernij in Egypte resulteerde in de roeping van Mozes. Samuël werd verwekt in de tijd dat Israël God als hun enige Koning verwierp. De afgoderij van de koningen van Israël bracht de profetieën van Elia en Elisa voort. 

Het was toen Israël van God afviel, door afgoderij, dat de grote eminente groep van profeten verscheen, die hun ernstige waarschuwingen uitsprak en het afvallige volk hart-stochtelijk opwekte om zich tot God te bekeren. Petrus spreekt van “het profetische woord, dat zeer vast is”, en vergelijkt het met “een lamp, die schijnt in een duistere plaats” (2 Petrus 1:19) en dikwijls scheen het op zijn helderst, als de duisternis op zijn diepst was.

V. PROFETIE ONDERSCHEIDEN VAN WAARZEGGERIJ

Profetie is geheel iets anders dan waarzeggerij. Volgens de Schrift komt zij niet voort uit eigen kracht van het menselijk brein of van de menselijke geest. De oorsprong van profetie wordt altijd toegeschreven aan de bovennatuurlijke werking van de Geest van God op de geest van de profeet: “… Gelijk Hij gesproken heeft door de mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn” (Lukas 1:70). De profeten wijzen elk persoonlijk aandeel in het ontstaan van hun boodschappen af. Zelfs de woorden waarin de boodschap wordt overgebracht, schrijven zij aan God toe. Bijna onveranderlijk laten zij hun boodschap voorafgaan door uitdrukkingen als deze: “Alzo zegt de Heere …”; “Het Woord des Heeren kwam tot mij …

De uitspraak van de apostel Petrus is in dit opzicht beslissend en definitief:

“Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.”
2 Petrus 1:20-21

God zei tot Jeremia: “Zie, Ik geef Mijn Woorden in uw mond” (1:9) en tot Ezechiël: “Gij zult Mijn woorden tot hen spreken”. (2:7). De waarzegger en valse profeet spreken “een leugen-gezicht, ijdele waarzeggerij en bedriegerij van hun eigen hart” (Jeremia 14:14; 23:16).

De waarzeggerij geeft voorspellingen van allerlei onderwerpen en dingen, zonder rekening te houden met de Goddelijke heerschappij of Gods doeleinden der genade. Zij weet niets van Christus en wil ook niets van Hem weten. Zij heeft geen morele grond en dient ook geen enkel moreel doel, maar is het resultaat van een nieuwsgierig en ongoddelijk blikken in de toekomst.

Profetie daarentegen is nimmer gegeven als een wonder op zichzelf, of als op zichzelf staand, maar altijd in verband met en direct gericht op het Koninkrijk van God. Het kondigt niets aan dat niet op één of andere wijze in verband staat met Zijn groot en wonderbaar heilsplan. Het voorwerp en middelpunt van alle profetie is de Heere Jezus Christus en Zijn Verlossing.

“Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren ge-tuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.” 1 Petrus 1:10-12 (Zie ook Handelingen 26:22, 23 en Openbaring 19:10)

VI. HET PERSPECTIEF VAN DE PROFETIEËN

In het voorzeggen van de toekomstige gebeurtenissen gelijkt de profeet op een reiziger die op grote afstand een bergketen waarneemt. Het perspectief van die keten is sterk verkort; op afstand lijkt het of er maar één bergrug is. Maar als de reiziger dichterbij komt, ziet hij de ene keten achter de andere. Bergtoppen, die zich op dezelfde afstand van hem schenen te bevinden, blijken kilometers achter elkaar te liggen.

Zo is het ook met de profetie. De profeet ziet de toekomst in perspectief. Hij heeft geen idee welke onmetelijke afstanden van tijd de ene gebeurtenis van de andere scheiden. Christus’ eerste komst in vernedering en Zijn tweede komst in heerlijkheid worden dikwijls gezien, alsof zij één gebeurtenis waren. Hij was zich niet bewust hoeveel eeuwen er nog moesten verstrijken alvorens de Koninkrijken van deze wereld zouden worden de Koninkrijken van onze Heere en van Zijn Christus. Er bestaat niet zo iets als tijd voor Hem, Die de Koning der eeuwigheid is, en voor wie één dag is als duizend jaren en duizend jaren als één dag. Het is geen wonder dat de profeet in Zijn tegenwoordigheid elk gevoel van tijd verloor en de dingen zag in het licht van de eeuwigheid.

VII. DE UITLEGGER VAN DE PROFETIEËN

Het is zonder meer duidelijk dat de profeten heel dikwijls hun eigen profetieën zelf niet begrepen hebben. Dat blijkt reeds uit het gedeelte, hierboven aangehaald (1 Petrus 1:10-12), maar ook uit vele andere Schriftplaatsen (Daniël 7:28; 8:15-27; 10:7-15; Openbaring 1:17; 7:13, 14; 17:6).

Hieruit volgt dus, dat de woorden hen gegeven zijn. De profetieën vormen een onomstotelijk bewijs van de inspiratie van de Bijbel. Om de profetieën te begrijpen, moeten we het principe van uitlegging volgen, zoals dat altijd wordt toegepast in het Nieuwe Testament, dat de Bijbel een organische éénheid is en Christus tot middelpunt heeft. Bij het onderzoek van het profetisch woord moeten wij ons afhankelijk stellen van de Geest van God. De Heilige Geest is niet alleen de inspirator, maar ook de enige betrouwbare Uitlegger van de profetieën.

Het is een algemeen gezegde dat de geschiedenis de verklaarder is der profetieën en dat wij moeten wachten op hun vervulling om ze te kunnen begrijpen. Dit standpunt verwart de uitlegging met de bevestiging. Als het profetisch woord alleen kan worden begrepen, nadat het vervuld is, hoe kan het dan voor ons zijn “een licht, dat schijnt in een duistere plaats” De profetieën zijn bedoeld voor heel Gods volk. Maar niet iedereen kent de wereldgeschiedenis; daarom is de geschiedenis niet de enige uitlegger van de profetieën. Bovendien verweet onze Heiland Zijn discipelen dat zij niet begrepen hadden wat de profeten gezegd hadden over de dingen die met Hem geschieden moesten!

“O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was” (Lukas 24:25-27).

Op even duidelijke wijze is Zijn tweede komst voorspeld. Wij zouden hetzelfde verwijt verdienen, als wij niet naar deze gebeurtenis zouden uitzien en Zijn komst verwachten. “Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des Mensen komen” (Mattheüs 24:42, 44). Onze Heer verklaart ook dat het Joodse volk Hem had moeten herkennen uit de bestudering van hun eigen profeten:

“Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt” (Lukas 19:42-44).

En Stefanus zei:

“Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij. Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt”.
(Handelingen 7:51, 52)

En Paulus verklaarde eveneens:

“Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elke sabbat dag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld” (Handelingen 13:27, 40, 41).

VIII. TOEVAL IN DE VERVULLING DER PROFETIEËN UITGESLOTEN

De verschillende gebeurtenissen, geprofeteerd in de Schriften betreffende de bestemming van het Joodse volk of die van de omringende naties, zijn gegeven met zoveel nauwkeurigheid en verscheidenheid van detail, dat de waarschijnlijkheid van een toevallige vervulling tot een minimum is gereduceerd. De profetieën betreffende Christus Zelf zijn boven alle andere zo definitief, en er worden daarbij zoveel bijzonderheden gegeven, dat de waarschijnlijkheid van vervulling buiten Gods voorkennis om, en als een kwestie van toeval, gereduceerd is tot een fractie, te klein om in cijfers uit te drukken.

IX. VOORBEELDEN VAN VERVULDE PROFETIE

Het gehele werk der verlossing werd in hoofdlijnen aangegeven in die eerste voorspelling, welke Adam hoorde uit de mond van God Zelf (Genesis 3:14-16). Noach schetste in drie geïnspireerde uitspraken de grote lijnen van de menselijke geschiedenis (Genesis 9:25-27). Het tiende hoofdstuk bevat een overzicht van de verspreiding van het menselijk ras, dat in volmaakte overeenstemming is met de jongste theorieën van de etnologie (volkenkunde).

Aan Abraham werd geopenbaard de geschiedenis van het nageslacht van zijn twee zonen Ismaël en Izak; de jaren van verdrukking van zijn nakomelingschap in Egypte; de zegen van alle volkeren door zijn Zaad, enz. Abraham, Jakob en Mozes hebben allen de dag van de Heere Jezus Christus gezien en zij hebben zich verblijd (Johannes 8:56). Jesaja en Jeremia openbaarden niet alleen de nabij-zijnde oordelen en verlossingen van Israël, maar ook de toekomende verzoening.

De visioenen van Daniël geven niet alleen een uitgebreid, maar ook een ordelijk en samen-hangend profetisch verslag van overheersende gebeurtenissen vanaf zijn eigen dag tot aan het einde aller dingen; een wereldgeschiedenis in miniatuur! De val van Belsazar, de opkomst van Kores, zijn veroveringen, de grootheid van zijn rijk; zijn opvolgers Cambyses, Smerdis en Darius; het karakter, de macht en het gedrag van Xerxes; de wonderbare heldendaden van Alexander de Grote, zijn plotselinge dood en de verdeling van zijn rijk; de regeringen van de Ptolemaeën en Seleuciden, het karakter en de veroveringen van het Romeinse Rijk; de verwoesting van Jeruzalem door Titus; de ondergang en de splitsing van het Romeinse Rijk; de wrede vervolgingen van Gods heiligen; al deze, en vele andere dingen, werden voorspeld door Daniël, de “zeer beminde man”.

De “lasten” van de latere profeten betreffen behalve Juda en Efraïm: Syrië, Egypte, Edom, Tyrus, Sidon, Moab, Palestina, Kedar, Elam, Babylon, Gog en Magog, enz.

X. VERVULDE PROFETIEËN BETREFFENDE HET JOODSE VOLK

1. Hun verwerping van Christus voorspeld
“Israëls Verlosser … aan Welken het volk een gruwel heeft.” (Jesaja 49:7)
“Hij was veracht … en wij hebben Hem niet geacht.” (Jesaja 53:1-3)

2. Hun verwerping van Christus zou lang voortduren
“Hoe lang Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner zij” (Jesaja 6:9-12).
“Totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan” (Romeinen 11:25).

De Jood bevestigt door zijn verwerping van de Messias de uitspraken van Hem, Die hij verwerpt.

3. De Romeinen zouden gebruikt worden voor de kastijding van Israël
“De Heere zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan; een volk, stijf van aangezicht” (Deuteronomium 28:49, 50) (Zie ook Jeremia 5:15). Hoe letterlijk hebben de Romeinen de details van deze voorspelling vervuld! In plaats van een van de omringende naties te zijn, die in het verleden zo vaak waren gebruikt tot kastijding van Israël, kwamen zij “van verre”. In plaats van de nauwe verwantschap tussen de taal van de naburige naties en de Hebreeuwse taal, was de taal van de Romeinen voor hen volkomen vreemd en onbekend. De Romeinse adelaar – “gelijk als een arend vliegt” – was een hun welbekend embleem. Zij zijn “Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn” (Deuteronomium 28:50). De genadeloze wreedheid van de Romeinen ten tijde van de val van Jeruzalem, is met geen woorden te beschrijven. (En toch zijn dezelfde profetieën nog van toepassing op andere heidenen in de dagen van de “Grote Verdrukking”).

4. Zij zouden in schepen teruggevoerd worden naar Egypte
“De Heere zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen” (Deuteronomium 28:68). Van hen die de verwoesting van Jeruzalem overleefd hebben, werden allen die boven de 17 jaar waren naar de Egyptische mijnen gezonden, waar zij dag en nacht zonder onderbreking moesten werken, totdat zij er dood bij neervielen.

5. De steden van Israël zouden belegerd worden
“Het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet in uw ganse land; ja, het zal u beangstigen in al uw poorten, in uw ganse land, dat u de Heere, uw God, gegeven heeft” (Deuteronomium 28:52). De verovering van het land van Israël door de Romeinen was, in tegenstelling met voorgaande oorlogen, bijna altijd een oorlog van belegeringen.

6. De methode van aanval
“Totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet” (Deuteronomium 28:52). De sterkste muren vielen voor de verschrikkingen van de Romeinse stormram.

7. De verschrikkingen van de hongersnood
“Gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren” (Deuteronomium 28:53; Jeremia 19:9). Letterlijk vervuld tijdens de belegering van Jeruzalem.

8. Zij zouden met weinigen overblijven
“Met weinigen zult gij overblijven, terwijl gij talrijk geweest zijt als de sterren des hemels, en gij zult weggerukt worden uit het land, dat gij in bezit gaat nemen” (Deuteronomium 28:62, 63; Jeremia 4:27). Vele honderdduizenden Joden werden gedood gedurende de oorlog, behalve degenen, die omkwamen door honger, ziekte en vuur; en behalve de menigten, die gevankelijk werden weggevoerd.

9. Hun universele verstrooiing
“De Heere zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere” (Deuteronomium 28:64; Hosea 9:17) De Jood wordt vandaag in ieder land gevonden, van Noord tot Zuid en van Oost tot West.

10. Zij zouden worden bewaard als volk
“En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de Heere, hun God!” – (Leviticus 26:44; Jeremia 30:11; 46:28). Hun voortbestaan, hun nationale onsterfelijkheid, is het grote wonder van de wereldgeschiedenis en een onoplosbaar raadsel voor de geleerden.

11. Hun isolatie en afzondering
“Ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden”.(Numeri 23:9) Noch hun geneigdheid tot afgoderij, noch verdrukking en vervolging konden het Joodse volk vermengen met de heidenen, waaronder zij leefden.

12. Zij zouden geen rust hebben
“Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de Heere zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en matheid der ziel. En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn” (Deuteronomium 28:65-67; Amos 4:2). Hoe letterlijk zijn deze woor-den vervuld in het verschrikkelijke dat het Joodse volk is overkomen, tot op de huidige dag.

13. Zij zouden worden beroofd van centrale regering en tempel.
“Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer …” (Hosea 3:4) Deze woorden zijn vervuld, ondanks de moeizame pogingen der Joden om onder hen één of ander centraal gezag te handhaven. Het volgende vers verklaart: “Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den Heere, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen” (Hosea 3:5).

Als de profetieën betreffende het oordeel over Israël zo letterlijk in vervulling zijn gegaan, kunnen wij dan nog betwijfelen dat de profetieën betreffende de zegeningen van Israël even letterlijk vervuld zullen worden?

“Hoort des Heeren woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde” (Jeremia 31:10).

“Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands” (Ezechiël 34:11-13; Jeremia 30:3).