Les 43 – Het Boek Hosea

B. HET BOEK VAN HOSEA

I. INLEIDING

Hosea’s geschriften zijn poētischer dan die van de meeste profeten. Zijn stijl is kort, figuur-lijk en vol beeldspraak. Elke daad en elke toespraak heeft een symbolische betekenis. De korte, scherpe uitspraken vallen uit zijn mond als snikken uit een gebroken hart, en weerspiegelen de feitelijke situatie, waarin hij is geplaatst. Hij illustreert dikwijls zijn boodschap met historische zinspelingen op Israëls vroegere ervaringen. Sommigen beschouwen Hosea als het moeilijkste van alle profetische boeken. Op het eerste gezicht schijnt er geen enkele orde in zijn geschriften te zijn. Maar bij zorgvuldige en ernstige studie ontdekt men al spoedig een wonderbare en logische samenhang in al zijn profetieën.

II. DOEL

Geestelijk gesproken was Israël Jehovah’s vrouw. Maar zij was Hem ontrouw geworden en had zich sinds Jerobeam I steeds dieper in afgoderij begeven. Daarom moest Hosea aankondigen dat God van plan was zijn ontrouwe “vrouw” te kastijden, maar dat Hij haar eens zou vrijkopen en herstellen in een plaats van zegen. Dit wordt geïllustreerd door de persoonlijke ervaring van Hosea met zijn ontrouwe vrouw Gomer.

III. SLEUTELVERS

Als sleutelvers kan men nemen: hoofdstuk 3:1:

“De Heere zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de Heere de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.”

Het sleutelwoord is: “Hoererij” – 14 maal.

“Juda” wordt slechts 14 maal genoemd en “Jeruzalem” zelfs niet één maal. De naam “Efraïm” komt daarentegen 35 maal voor en de naam “Israël” eveneens 35 maal. Dat is omdat dit boek evenals Amos fundamenteel spreekt over het 10-stammen rijk, en Juda – de 2 stammen – slechts terzijde aanduidt. Want het eerstgeboorterecht onder de stammen van Israël berust nu eenmaal bij de 10 en niet bij de 2. 

De profetie over Ammi en Lo-Ammi etc., is ook volgens het Nieuwe Testament niet van toepassing op Juda, maar op Israël / Efraïm / lzak. En daarmee wordt de profetie begrijpelijk.

IV. INDELING

Het boek van Hosea kan verdeeld worden in drie delen:

I. De ontrouw van Israël, geïllustreerd door Hosea’s huwelijk – Hosea 1-3

  1. Israëls verdorven toestand – Hosea 1
  2. Israëls vreselijke val – Hosea 2
  3. Israëls losprijs betaald – Hosea 3

II. De ontrouw van Israël beschreven en veroordeeld – Hosea 4- 13

  1. Israëls val en de verschrikkelijke gevolgen – Hosea 4 en 5
  2. Israëls berouw en belijdenis – Hosea 6:1-3
  3. Israëls wonden en hun genezing – Hosea 6:4-13:15

II. De belofte van Israëls toekomstige zegen, ná het oordeel – Hosea 14:1-3

  1. Het laatste appèl op Israël – Hosea 14:1-3
  2. Israëls uiteindelijk herstel – Hosea 14:4-9

V. INHOUD

Het boek van Hosea wordt wel eens genoemd: het boek van afval of van geestelijke hoererij. Het is uitdrukkelijk gericht aan de tien stammen van het Noordelijk Koninkrijk, vlak vóór de Assyrische ballingschap. De figuur van de overspelige vrouw Gomer, dient in dit boek als een ernstig appèl op het hart en het geweten van het volk, dat zich van God had afgekeerd om de afgoden van de heidenen te dienen. De Heere zeide tot de profeet: “Ga heen, neem u een vrouw der hoererijen.” De reden van dit merkwaardige gebod was: “Want het land hoereert ganselijk van achter den Heere.” Daarmee wordt dus expliciet gezegd dat deze vrouw een type is van Israël, zoals Hosea een type is van de Heer Zelf.

Van de drie kinderen, in dit huwelijk geboren, waren de laatste twee “kinderen der hoererij”, d.w.z. in hoererij verwekt. Jizreël (d.i. “Ik zal verstrooien”) – een waarschuwing dat God een oordeel zou brengen over het volk. Zoals Hij Izebel en Jehu gestraft had voor hun afgoderij, zo zou Hij ook over het hele volk Israël het oordeel brengen in de vorm van de Assyrische invasie.

De naam van het tweede kind Lo-Ruchama (d.i. “geen ontferming”), geeft aan dat God Zijn volk uit het land zou verdrijven. De naam van het derde kind, Lo-Ammi (d.i. “niet Mijn volk”), leert dat Israël door God terzijde gezet zou worden, omdat zij Hem verlaten hadden (1:1-9). 

In de verzen 10 en 11 vinden wij echter de belofte van toekomstige zegen en herstel, als namelijk “ter plaatse, waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt Mijn volk niet” – zij “genoemd zullen worden kinderen van de levende God… want groot zal de dag van Jizreël zijn”. De betekenis van de naam Jizreël in dit vers dienen wij te verstaan als “Ik zal zaaien”. Jizreël heeft namelijk een dubbele betekenis: “Ik zal strooien” en “Ik zal zaaien”. God zal Israël eens uit het land “strooien”, maar haar daarmee ook “zaaien”. Lo-Ammi zou dan weer worden “Ammi” (d.i. “Mijn volk”) en Lo-Ruchama zou worden Ruchama (d.i. “ontferming”). Lees hoofdstuk 2:1.

Dat deze dingen juist in onze bedeling van toepassing zijn, is de zeer onbegrepen strekking van de in het Nieuwe Testament geciteerde verzen. Dat onbegrip komt voort uit het gebrek aan onderscheid tussen de “beide huizen van Israël”. Dat deze dingen zullen geschieden als de Heere Jezus Christus zal wederkomen om hen tot Zichzelf te vergaderen en te herstellen in gerechtigheid, is vanzelfsprekend. Jehovah’s klacht tegen de moeder Israël betreft haar ontrouw in het dienen van andere goden (“minnaars”). Daarvoor zal zij geoordeeld worden. Als zij ontdekt dat van haar afgoden geen hulp te verwachten is, dan is het te laat om nog tot de Heere terug te keren. Niemand kan haar van de Assyriër, die haar in slavernij zal voeren, bevrijden. (2:2-12).

Onmiddellijk hierop volgt echter weer de belofte van toekomstig herstel, wanneer de Heere Zelf haar zal “lokken” en “tot haar hart zal spreken”. Te dien dage zal Hij weer voor haar worden “Ishi” (d.i. “mijn Man”, en niet “Baäli” (“mijn Heere”), dat immers geen enkele bijzondere verhouding tot God aanduidt. Het volk zal geen offers meer brengen aan de valse goden. De belofte van herstel ná het oordeel is gebaseerd op de voorzieningen van het Nieuwe Verbond (2:14-22). Zie ook Jeremia 31:31-34; Romeinen 11:26; Joël 2:32.

In het derde hoofdstuk van Hosea schildert de profeet door de Heilige Geest ons een beeld van Israëls toekomstige nationale geschiedenis. Het vierde vers van dit hoofdstuk is één van de sterkste bewijzen van de Goddelijke oorsprong der profetie en van de Bijbel in het algemeen. Er schijnt tussen het tweede en het derde hoofdstuk een periode van tijd te liggen. Daarna geschiedt wat vermeld staat in hoofdstuk 3:1. God geeft de profeet opdracht om zijn overspelige vrouw die hem verlaten had, te beminnen. Naar de mens gesproken lijkt dit in deze omstandigheden ten enen male onmogelijk, maar God verlangt van hem haar lief te hebben, zoals Hij Zelf de kinderen Israëls – ondanks alles – liefheeft. Hosea moest zich jegens haar, die in slavernij was vervallen, vergevensgezind betonen, om alzo het karakter van Gods liefde voor Israël te openbaren en uit te beelden.

Voor “vijftien zilverlingen”, de prijs van een slaaf, kocht hij haar vrij. Zo zal God Zijn volk uit slavernij verlossen, omdat de losprijs betaald is aan het kruis van Golgotha. Gomer werd echter niet onmiddellijk in haar vroegere huwelijksstaat hersteld, en zo is het vandaag met Israël hetzelfde.

“Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den Heere, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.” (Hosea 3:4, 5).

Hoofdstuk 4 is eigenlijk een inleiding op de rest van het boek. Het is een samenvatting van de boodschap van de profeet. Hier wordt de inhoud van de hoofdstukken 1 t/m 3 toegepast op de geestelijke toestand van Israël.

God heeft een twistzaak met Ammi, “Mijn volk”, dat volgens 6:4 zal worden “uitgeroeid”. De betekenis van dat woord “damah” is “zwijgen”, “tot zwijgen brengen”, “nietszeggend maken”. En dat zou gebeuren omdat het volk de kennis had verworpen. Daarom worden niet slechts de priesters, maar wordt het hele priesterlijke volk ontslagen uit dat ambt. De priester wordt geacht een “lerende priester” te zijn, maar waar hij zelf geen kennis heeft, wordt hij gediskwalificeerd. Dit is wat God zou doen met dit volk! Het zou niet langer Israël, Ammi, Gods volk zijn en zelfs zijn naam verliezen. Zij hebben zich gewend tot de afgoden en zij hebben valse verbonden gesloten. Daarom zal Hij als een oordeel de invallende legers van Assyrië over hen brengen (Amos 4 en 5).

Met hoofdstuk 6:4 begint de profeet zijn uitvoerige toespraken, waarin God spreekt over Zijn geschil met Israël en verklaart, waarom het oordeel niet langer kan worden uitgesteld. God heeft “lust tot weldadigheid, en niet tot offer” (6:6); zij waren uitverkoren en verlost. “Zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur.” (7:11); “Israël heeft zijn Maker vergeten”  (8:14): “Zij zullen in des Heeren land niet blijven” (9:3); “De dagen der bezoeking zijn gekomen” (9:7); “Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich”, doch niet voor God” (10:1).

Zoals een man zijn vrouw bemint, zo beminde God Israël. Maar Israël was Hem ontrouw geworden. Het oordeel is op komst, maar Jehovah’s volk wordt opgewekt om zich te verlaten op Hem en te rusten in Zijn beloften. God bevrijdde Israël eens door een profeet (Mozes) en voerde hen uit Egypte naar het land der belofte. Vers 13 van hoofdstuk 13 beschrijft het verschrikkelijke oordeel over Israël. In vers 14 vinden wij echter direct weer een gezegende belofte van verlossing en herstel bịj de komst van de Messias.

Met het oog op deze verlossing wordt Israël opgeroepen om zich te “bekeren tot de Heere, hun God” (14:2). Omdat de losprijs betaald zal zijn, zal Gods toorn worden afgewend. Hij zal “hun afkerigheid genezen” en “hen vrijwillig liefhebben” (14:5). Hij zal hen verkwikking en herstel geven. Efraïm zal zijn als een olijfboom en zal vruchtbaar worden (14:4-8). Zie Psalm 1. 

Zo komen wij aan het gezegende einde van deze profetie. “Want de wegen des Heeren zijn recht en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.”

VI. GEESTELIJKE TOEPASSING

“Wie is wijs?” (14:10). Deze vraag mag wel overwogen worden door ons allen. Hoewel Hosea’s boodschap eerst en vooral het Israël zijner dagen gold, zo kunnen Gods kinderen uit deze bedeling er ook hun voordeel mee doen.

  1. In hun houding tegenover Gods oude volk Israël. Als God dit volk, ondanks hun ontzettende zonde, toch blijft liefhebben en het uiteindelijk volkomen zal verlossen, laten wij het dan om Gods wil ook liefhebben en mee-arbeiden aan de pogingen tot hun bekering.
  2. In onze houding tegenover de afgoderij. Het behoeven geen beelden te zijn, maar alles wat naast of boven God ons hart van Hem aftrekt, is een afgod. De Heere verlichte onze ogen om de afgoden te herkennen, waarmee de satan ons tracht af te trekken van een volkomen overgave aan God. Zie 1 Johannes 5:21.
  3. Inzake onze trouw tegenover God en Zijn dienst. Moeten ook wij onszelf niet dikwijls beschuldigen van trouweloosheid? Hoewel wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw (2 Timotheüs 2:13).
  4. Welk een blik geeft Hosea op de liefde Gods! We mogen als het ware in Zijn hart zien. Voorwaar, wie in zulk een liefde geborgen is, is wel bewaard (Hebreeën 6:18, 19).

VII. LERINGEN VAN HOSEA BETREFFENDE ISRAËL

Het voornaamste doel van het boek is om de toekomst van Israël te openbaren. Het volgende is een opsomming van deze leringen. Zie hoeveel van de aangehaalde Schriftgedeelten reeds vervuld zijn of thans in vervulling gaan.

HOOFDSTUK 1

  1. Israël werd tot een verbondsverhouding (huwelijk) met de Heere geroepen (Exodus 19:5-8; 24:7). Dit heeft zij verlaten (vers 2).
  2. Israël zal gevonnist worden wegens geestelijk overspel (vers 6).
  3. God echter zal dit verbond niet vergeten. Israël zal toch als het zand der zee zijn (vers 10, vergelijk Romeinen 9:25-26).

HOOFDSTUK 2

  1. Het land zal gedurende de tijd, dat Israěl ervan gescheiden is, verlaten zijn (vers 8, 11, 12).
  2. Hun ritueel (offerdienst) zal geëindigd zijn (vers 10).
  3. Gevonnist voor hun zonden, zal Israël berouw hebben en de Heere zoeken, die wegens Zijn grote liefde haar zal aannemen (2:6, 14-18; 3:1).
  4. De toestanden van het Messiaanse Rijk en het Nieuwe Verbond zullen dan op de aarde heersen (vers 17).

HOOFDSTUK 3

  1. Een schitterend beeld van de geschiedenis van de kinderen van Israël. Nadat zij met afgoderij gebroken hebben, leven zij afzonderlijk zonder heidense goden of de ware God (vers 4).
  2. Maar zij zullen nog de Messias zoeken (vers 5).

HOOFDSTUK 4

  1. Israëls zonde is moedwillige onwetendheid (vers 6).
  2. Hun afvalligheid is hopeloos wegens hun onbandigheid (vers 16 en 17).

HOOFDSTUK 5

  1. God kan niets voor Israël doen, totdat “zij zich schuldig kennen” (vers 15).

HOOFDSTUK 6

  1. De tijd van het herstel van Israël zal “na twee dagen” zijn; “op de derde dag”. Het Hebreeuwse woord, vertaald door “dag” is “yom”, een tijdperk, waarvan de duur soms bepaald is, soms onbepaald, afhankelijk van de samenhang of van andere gelijkluidende teksten (zie 2 Petrus 3:8).

    Indien men één dag als 1000 jaar rekent, dan wordt deze passage buitengewoon belangrijk in verband met het feit dat het bijna 2000 jaar geleden is, sedert Israël werd verstrooid.

HOOFDSTUK 7

  1. Belofte van een Verlosser en profetie van haar verwerping. Israël is dus zonder verontschuldiging (vers 13; vgl. Jesaja 59:20).

HOOFDSTUK 8

  1. Israël is “verslonden”, “onder de volken”, “een voorwerp, waar niemand behagen in schept”, maar zal “vergaderd” worden (vers 8-10).

HOOFDSTUK 9

  1. Israël zal “omzwervende zijn onder de volken” (vers 17).

HOOFDSTUK 10

  1. De verworpen Verlosser (7:13) zal terugkeren (vers 12).

HOOFDSTUK 11

  1. God zal erbarmen met afvallig Israël hebben, daar Hij God is en niet een mens (vers 7, 8 en 9).

HOOFDSTUK 12

  1. God heeft een rechtsgeding met Israël: “In zijn hand is een bedrieglijke weegschaal” (vers 3, 8).

HOOFDSTUK 13

  1. Het wonder van de nationale opstanding van Israël berust bij God en bij Hem alleen (vers 9, 10, 14).

HOOFDSTUK 14

  1. Israël, nu door alle volkeren veracht, en verspreid, zal terugkeren (vers 2) en vergeven worden (vers 5). Israël zal éénmaal de schoonste en de meest bewonderde van alle naties worden (vers 6-8).
  2. “Wijs” is de mens, die Gods plan voor Israël verstaat (vers 10).