Les 51 – Het Boek Jeremia

Les 51 – HET BOEK JEREMIA

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 51)

  1. Onder welke naam is Jeremia bekend?
  2. In welk opzicht staat Jeremia in tegenstelling tot Jesaja?
  3. Vertel in het kort de persoonlijke geschiedenis van de profeet Jeremia.
  4. Beschrijf Jeremia’s karakter.
  5. Wat verstaan wij onder de uitdrukking “De tijden der heidenen”?
  6. Wilde God van de Joden dat zij zich aan de heidenen zouden onderwerpen, of dat zij zich tegen hun macht zouden verzetten?
  7. Vermeld in het kort de boodschap van Jeremia tot het volk.
  8. Beschrijf met uw eigen woorden, wat voorzegd is in Jeremia 23.

II. DE PROFETEN VAN TIJDENS DE BALLINGSCHAP

A. DE PERSOON VAN JEREMIA

I. ZIJN PLAATS ONDER DE PROFETEN

“Onder al de heldere sterren van het Oude Testament is er geen naam, die helderder straalt dan die van Jeremia”. Hij is bekend als “de wenende profeet” en de “profeet met het gebroken hart”. Maar hij weende niet over zijn eigen beproevingen, hoe smartelijk die ook waren. Nee, het waren de zonden van zijn volk en de verschrikkelijke gevolgen daarvan, die Jeremia’s hart braken. Hij wist dat over enkele jaren de trotse prachtige stad Jeruzalem met zijn schitterende tempel in puin zou liggen; dat zijn geliefd volk in ballingschap zou gaan; dat dit volk, dat sedert zijn uitverkiezing in Abraham Gods bijzondere kleinood was geweest, voor een tijd terzijde gesteld zou worden en dat de heidenen de overmacht zouden krijgen.

Bijna in elk opzicht verschilde Jeremia van Jesaja. Terwijl Jesaja stoutmoedig en onbevreesd optrad, schijnt Jeremia van nature een schuchtere en teruggetrokken persoon te zijn geweest. God heeft hem dikwijls moeten bemoedigen en zelfs moeten dreigen; zo zag hij op tegen de zware taak van het openbaar getuigen.

Jesaja leefde meer dan 100 jaar vóór de ballingschap van Juda, maar Jeremia onmiddellijk vóór en tijdens deze ramp. Jesaja had voorzegd dat het oordeel zou komen, indien zij zich niet bekeerden, maar Jeremia had tot taak aan Juda het oordeel aan te kondigen dat zeer nabij was; dat God hen had veroordeeld en dat niets hen nu meer kon redden van de straf, die zij volkomen hadden verdiend.

II. DE TIJD WAARIN HIJ LEEFDE (lees 2 Koningen 21-25)

Als u de geschiedenis leest van de tijd waarin Jeremia leefde, zal het u niet verbazen dat God dit volk niet langer kon verdragen. Door Jesaja had Hij hun alles gezegd wat mogelijk was, om hen van de ondergang te redden, maar zij luisterden niet. Toen Jesaja’s stem verstilde, heeft God meer dan 60 jaar gezwegen. Al die tijd heeft Hij geen woord gesproken door de mond van een profeet, alsof Hij wilde afwachten of Zijn zwijgen hen tot inkeer zou brengen. Maar het volk bleef koppig voortgaan op de weg naar hun ondergang. 

Nauwelijks waren Jesaja, en de goede koning Hizkia, ter aarde besteld of de afgodendienst en talloze heidense gruwelen staken de kop weer op onder de regering van Manasse, een van de slechtste koningen die Juda ooit heeft gehad. Hij deed wat hij maar kon om de Heere tot toorn te verwekken. En het is van hem dat gezegd wordt, dat hij het volk verleid heeft tot grotere zonden dan de volken die God voor de kinderen Israëls had uitgeroeid. Een van zijn grootste zonden was wel de ontheiliging van de voorhof van de tempel, door daar altaren voor Baäl te bouwen. Hij zette zelfs een afgodsbeeld in het huis van God (Lees toch vooral 2 Koningen 21-25). Jeremia 5:31 beschrijft de morele toestand van Juda: “De profeten profeteren valselijk en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo.”

Meer dan vijftig jaar lang hebben koning en volk de verschrikkelijkste beledigingen voor God opgestapeld, totdat de maat vol was en de ondergang van Juda onherroepelijk was bezegeld. Wel werd het oordeel een tijd lang uitgesteld vanwege de vroomheid en rechtschapenheid van koning Josia. Maar 25 jaar na zijn dood bestond Juda niet meer. In deze tijd van politieke en zedelijke verwarring zond God Jeremia om Zijn woordvoerder te zijn. Het was geen gemakkelijke taak om steeds maar weer Gods Woord over te brengen aan dit hardnekkige, dolende volk, dat altijd geneigd was eigen wegen te gaan, zonder aan de gevolgen te denken. Maar in deze eindtijd van Juda, toen de politieke hartstochten op kookhitte waren gekomen, was dit een bijzonder zware opgave.

III. ZIJN BOODSCHAP

Jeremia’s boodschap was buitengewoon onwelkom. Zijn opdracht was om Juda aan te zeggen dat Jehovah hen had verworpen en dat het Zijn plan was hun gebied (dat Hij hun beloofd had op voorwaarde van gehoorzaamheid) in handen van de heidenen te geven. Lang en met veel geduld had God Juda verdragen, maar de grens van Zijn lankmoedigheid was bereikt. De tijd was gekomen dat God Zijn beschermende hand van het volk zou aftrekken en Zijn vijanden zou toelaten het ergste met hen te doen, en dat moest Jeremia hun aankondigen.

Nu gingen, wat de Schrift noemt “de tijden der heidenen” beginnen (zie Lukas 21:24), de periode in de wereldgeschiedenis waarin naar Gods bijzondere beschikking de heidenen en niet de Joden de politieke oppermacht hebben in Jeruzalem. Verder was het nu Gods wil dat Juda zich zou onderwerpen aan de heidense machten en dat het volk zou erkennen dat het volkomen verdiend had terzijde gesteld te worden vanwege zijn ongehoorzaamheid. Jeremia verklaarde zijn volksgenoten dat, als zij hun straf berouwvol zouden aanvaarden en zich aan hun vijanden zouden onderwerpen, als zijnde Gods wil, dat zij dan in hun land zouden mogen blijven wonen, maar natuurlijk niet meer als een onafhankelijk volk. Maar als zij zich tegen het heidense volk zouden verzetten, dan zou dat betekenen dat zij zich tegen God verzetten (Die immers de heidenen gebruikte om Juda te kastijden) en dan zouden zij helemaal overwonnen worden en uit hun land naar Babylonië gevoerd worden, waar zij dan als ballingen 70 jaar zouden moeten blijven.

Natuurlijk verzette het volk zich hevig tegen deze voorstelling van zaken. Toch was dit geen nieuwe waarheid. Mozes had al bijna 1000 jaar tevoren deze ramp voorzien als het onvermijdelijke gevolg van ongehoorzaamheid en had het alles opgeschreven (Leviticus 26 en Deuteronomium 28). Hij had geboden, dat het dit volk voortdurend voorgehouden zou worden, dat het telkens opnieuw voorgelezen zou worden, dat het de kinderen geleerd zou worden, dat men erover zou spreken, dat het op de deurposten geschreven moest worden, opdat het nooit vergeten zou worden (Deuteronomium 6:6-9). Maar het volk in die dagen lette evenmin op het geschreven Woord van God als het merendeel van de mensen nu, zodat zij volkomen onvoorbereid waren, toen de profeet verkondigde, dat de profetie van Mozes in vervulling zou gaan.

Wat de boodschap van Jeremia nog meer in de weg stond, was het optreden van valse profeten, die beweerden in verbinding te staan met Jehovah en die precies het tegenovergestelde verkondigden van de profetie van Jeremia. De valse profeten maakten hem belachelijk en gaven de raad om een verbond aan te gaan met andere volken, bewerende dat God de overwinning had beloofd.

IV. ZIJN ROEPING

Jeremia moet zijn roeping tot het profetisch ambt ontvangen hebben toen hij nog erg jong was. Zijn roeping was veel gewoner dan die van Jesaja (vergelijk Jesaja 6). Jeremia had geen verblindend en verbijsterend visioen, geen troon en geen serafijnen. De Heere sprak heel rustig met de jongen, wees hem zijn moeilijke taak en beloofde hem te allen tijde nabij te zijn. Lees Jeremia 14-10 en let op de volgende punten betreffende zijn roeping:

  1. Reeds vóór zijn geboorte had God hem tot profeet gesteld (vs. 4 en 5)
  2. Hij zag erg tegen het werk op, omdat hij jong en onervaren was (vs. 6)
  3. De Heere gaat niet in op zijn bezwaren (vs. 7)
  4. De Heere verzekert hem van Goddelijke bewaring (vs. 8)
  5. De Heere bekrachtigt hem tot zijn taak door een persoonlijke aanraking (vs. 9)
  6. Beschrijving van het karakter van zijn werk (vs. 10).

Zijn werk zou zowel een afbreken als een opbouwen ten doel hebben. God begint meteen zijn jonge dienstknecht te onderrichten met symbolen (vs. 11-16) en verbergt niet voor hem dat hij veel tegenstand zal ontmoeten van koningen, vorsten, priesters en het volk (vs. 18 en 19).

Natuurlijk zag Jeremia erg op tegen de moeilijkheden en verantwoordelijkheden van dit werk en leed hij onder de vervolging en de haat, die zijn toespraken opwekten. Maar al klaagde hij daarover als hij met God alleen was; wanneer hij voor de mensen stond, was hij altijd stoutmoedig. God bekrachtigde hem zodanig en maakte Zijn tegenwoordigheid zó merkbaar, dat hij in zijn openbaar optreden alles durfde.

V. ZIJN PERSOONLIJKE GESCHIEDENIS

Van Jesaja’s persoonlijke geschiedenis wordt ons weinig meegedeeld, maar van die van Jeremia des te meer, zodat we hem en zijn boodschap heel goed leren kennen. Zie Jeremia 1:1 en let wel, dat hij een zoon was van de priester Hilkia en in Anathoth woonde, een dorpje ongeveer 9 kilometer ten noorden van Jeruzalem. Al heel jong heeft God aan Jeremia te kennen gegeven dat hij niet het ambt van priester zou bekleden, hoewel hij daartoe geboren was, maar dat hij een profeet zou worden van zijn God. Jeremia heeft onmiddellijk dit werk aanvaard en veertig jaar lang is hij vertegenwoordiger en woord-voerder van God geweest. Jeremia heeft een heel ongelukkig leven gehad, meer dan één van de andere profeten.

Zijn boodschap moest wel verzet opwekken bij een volk, dat zwolg in de zonde. Koningen, overheden, priesters en politici, alsook de valse profeten bestreden hevig de politiek die Jeremia het volk aanraadde en om hem tot zwijgen te brengen vervolgden zij hem op allerlei manieren.

Om enig idee te krijgen van de vervolgingen die Jeremia had te verduren, moeten we hem volgen van dag tot dag en van plaats tot plaats en opmerken hoe hij werd uitgelachen, verkeerd beoordeeld, bedreigd, geslagen, verhongerd en vervloekt door alle klassen van het volk, ja zelfs door hen, die hij als zijn vrienden had beschouwd.

  1. Lees Jeremia 11:18-23 en 12:6 en tracht u in te denken wat hij gevoeld moet hebben toen hij ontdekte dat zijn eigen buren en familie het op zijn leven gemunt hadden.
  2. Lees Jeremia 18:11-18 en zie hoe het volk hem “wil treffen door middel van de tong” en niet naar hem luistert als hij in de straten van Jeruzalem staat en het Woord van God tot hen spreekt.
  3. Lees Jeremia 26:1-16 en 24 en zie hoe hij behandeld wordt als hij opgaat naar de tempel om te prediken. De priesters en de valse profeten spannen samen met het volk, grijpen hem en bedreigen hem met de dood.
  4. Lees Jeremia 32:1-3; 38:6-13 en 28 en zie hoe hij herhaaldelijk gevangen gezet is en mishandeld.

Nog veel meer vervolgingen heeft Jeremia moeten verduren, maar het ergste van alles was het besef dat al zijn werk en lijden vergeefs zouden zijn, dat al zijn moeite het volk geen haarbreed zou doen afwijken van zijn heilloze weg naar de ondergang waartoe het bestemd was. Toen God Jeremia riep, had Hij namelijk al gezegd dat zijn werk vruchteloos zou zijn.

Jeremia is nooit getrouwd geweest; de reden kunt u lezen in 16:1-4. Hij heeft een lang, zwaar en veelbewogen leven gehad. Dikwijls was hij moedeloos en bijna geneigd de strijd maar op te geven. God had hem als het ware tussen twee vuren gezet: het vuur van de vervolging aan de ene kant en het inwendig vuur van de Heilige Geest aan de andere kant en dit laatste vuur was het heetst.

Zijn tweestrijd schreeuwt hij uit in Jeremia 20:9: “Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar kon niet.”

Jeremia had een trouwe vriend en metgezel, die tevens zijn secretaris was, namelijk Baruch, die hem tot grote steun geweest is in al de beproevingen van zijn sombere leven. In hoofdstuk 36 komt Baruch op de voorgrond en hoofdstuk 45 is geheel gewijd aan een boodschap van God aan Baruch.

Toen Jeremia 22 jaar had gepredikt, stormde in 606 v.C. een Chaldeeuws leger aan van het Noordoosten en voerde tienduizend Joodse gevangenen weg, waaronder ook Daniël, die toen nog maar een jongen was. De Joden die achtergebleven waren, weigerden koppig dit te zien als een waarschuwing en gingen voort op hun zondige wegen.

Acht jaar later deed de koning van Babel opnieuw een inval in Juda en voerde het grootste deel van de bevolking weg in ballingschap. Maar ook deze waarschuwing werd in de wind geslagen en na tien jaar kwam toen de grote slag. De koning van Babel omsingelde met een machtig leger de stad Jeruzalem, waarheen de meeste Joden uit de omringende plaatsen gevlucht waren, en bereidde zich voor op een langdurige belegering. Intussen ging Jeremia voort met de bevolking aan te raden zich over te geven, omdat overwinning onmogelijk was, en omdat God besloten had hen 70 jaar in ballingschap te zenden naar Babylon vanwege hun zonden. Opnieuw liet de koning nu Jeremia gevangen zetten en uithongeren, maar hij kon hem niet tot zwijgen brengen. Toen de Joden zich tenslotte moesten overgeven, richtten de Chaldeeën een grote slachting aan. Al de zonen van de koning werden gedood en de koning werden de ogen uitgestoken. Zie 2 Kronieken 36:17-21.

Maar te midden van deze vreselijke verwarring in de brandende stad, vergat de Heer Zijn dienstknecht Jeremia niet. Hij werd niet alleen gespaard, maar de Chaldeeën, die natuurlijk niet konden begrijpen waarom hij zijn volk geraden had zich over te geven, beschouwden hem als bondgenoot, behandelden hem met onderscheiding en lieten hem de keus met het volk mee te gaan naar Babel of met de armsten in het land achter te blijven. Hij koos het laatste (Zie Jeremia 39:10-14 en 40:2-6). Nadat de Chaldeeën waren weggetrokken, pleitte hij bij de achtergeblevenen zich nu weer tot God te keren, maar zij wezen zijn raad af, vermoordden de Chaldeeuwse regent en vluchtten naar Egypte. Samen met Jeremia en “des konings dochteren” (Jeremia 43:6).