Les 69 – De Brief aan de Romeinen

Les 69 – DE BRIEF AAN DE ROMEINEN

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 69)

  1. Welke speciale naam geeft Paulus aan het Evangelie?
  2. Wat zegt hij over de menselijke afstamming van onze Heer?
  3. Welke drie bewijzen van Zijn Messias-schap geeft hij in vs. 4?
  4. Waarom schaamde de apostel zich het Evangelie niet?
  5. Wat wordt in het Evangelie geopenbaard?
  6. Zeg in eigen woorden wat er bedoeld wordt met 1:19, 20.
  7. Zeg in eigen woorden op welke grond de gedegenereerde heiden wordt veroordeeld.
  8. Noem de zeven trappen van verval van het heidendom van de kennis van de ware God (1:21-32).
  9. Welke vier trappen van verval in de afgoderij vermeldt 1:23?
  10. Wat heeft God gedaan?
  11. Vertel op welke grond de heidense zedenpredikers veroordeeld worden (2:1-16).
  12. Idem, maar dan voor de Jood.
  13. Welk gevolg heeft de wet tenslotte?
  14. Wat verstaat u onder de uitdrukking: “de gerechtigheid Gods”?
  15. Hoe komt de gerechtigheid Gods tot de veroordeelde zondaar?
  16. Wie hebben gezondigd?
  17. Wat betekent “gerechtvaardigd”?
  18. Wie worden gerechtvaardigd?
  19. Wat wordt bedoeld met “verzoening”?
  20. Wordt verzoening verkregen door het geloof in het volmaakte leven van Christus?
  21. Zeg eens hoe God “rechtvaardig” kan zijn, als Hij een zondaar rechtvaardigt, die zijn vertrouwen op Christus stelt.
  22. Wat heeft gehoorzaamheid aan de wet te maken met de rechtvaardiging van een zondaar?
  23. Wie wordt als voorbeeld gegeven van rechtvaardiging door het geloof?
  24. Welk soort geloof wordt tot “gerechtigheid gerekend”?
  25. Zou God genoegen nemen met “wat geloof” en “wat werken” als grond voor rechtvaardiging?
  26. Wie of wat is de man aan wie de Heer de zonden niet toerekent?
  27. Heeft Abrahams besnijdenis bijgedragen tot zijn rechtvaardiging?
  28. Zeg in eigen woorden welk soort van geloof rechtvaardig maakt.
  29. Wordt iemand, die wel het voorbeeld van Christus aanvaardt, maar die weigert te geloven in Zijn dood en opstanding, behouden?
  30. Noem de zeven gevolgen van rechtvaardiging.
  31. Hoe is de zonde in de wereld gekomen?
  32. Wat kwam nu over alle mensen?
  33. Wat bewijst het feit, dat de mensen stierven, vóórdat de wet gegeven was?
  34. Wat kwam over alle mensen door de overtreding van één?
  35. Waarom kwam de wet bovendien?
  36. Wat is het gevolg van het “heersen” van de zonde?
  37. Wat is het gevolg van het “heersen” van de genade?
  38. Waarom zullen wij niet in de zonde blijven?
  39. Wat is Gods oordeel over de “oude mens”?
  40. Hoe moet de christen over zichzelf denken in verband met 6:2-11?
  41. Wat is “zonde” volgens Romeinen 6?
  42. Wat moet de gelovige doen om te ervaren dat hij dood is voor de zonde en haar heerschappij?
  43. Welk gevolg heeft ons sterven met Christus op onze verhouding tot de wet?
  44. Welk gevolg had de wet toen wij nog onder de wet waren?
  45. Beschrijf in eigen woorden de strijd van Paulus in 7:15-23.
  46. Het woord “ik” komt in dit gedeelte in twee toepassingen voor. Welke?
  47. Welk resultaat had het pogen om heilig te worden in Romeinen 7?
  48. Waarom is er “geen veroordeling” voor hen die in Christus Jezus zijn?
  49. Welke “wet” maakt vrij?
  50. Wat is de “wet der zonde”?
  51. Wat is de “wet des doods”?
  52. Wat gebeurt er met hen, die “naar de Geest” wandelen?
  53. Zijn Christenen “in het vlees”?
  54. Is het vlees in hen?
  55. Noem al de dingen op die de Geest doet volgens hoofdstuk 8.
  56. Wat leert hoofdstuk 8 betreffende het lijden?
  57. In welke toestand verkeert de schepping nu?
  58. Geef de stappen aan die leiden tot volkomen verlossing.
  59. Zal iemand van “die Hij tevoren gekend heeft” verloren gaan?
  60. Wat zou ons kunnen scheiden van de liefde van Christus?
  61. Beschrijf Paulus’ gevoelens voor de Joden.
  62. Welk onderscheid maakt Paulus tussen een gelovige en een ongelovige Jood?
  63. Welke profetieën haalt Paulus aan betreffende de zegen voor de heidenen?
  64. Waarom gingen Israëlieten verloren?
  65. Is het waar dat Israël voor altijd is verworpen?
  66. Wie is de goede Olijfboom? En wie is de wilde Olijfboom?
  67. Hoelang zal de verblinding van Israël duren?
  68. Welke gebeurtenis zal plaats hebben, nadat de “volheid der heidenen” is ingegaan?
  69. Wat is de redelijke dienst van een zondaar die zich heeft bekeerd?
  70. Wat zullen de karaktertrekken zijn van een toegewijd leven
    a) jegens andere Christenen?
    b) jegens de wereld?
  71. Som alle werkzaamheden van de Heilige Geest op, zoals vermeld in deze Brief.
  72. Hoe staat de wet
    a) ten opzichte van de zondaar?
    b) ten opzichte van de gelovige?
  73. Wat moet een zondaar doen om gerechtvaardigd te worden?
  74. Wat moet een gelovige doen om geheiligd te worden?
  75. Leg uit wat u verstaat onder heiliging.
  76. Welke nieuwe waarheden, die de apostel nog niet had vermeld, komen in de Brief aan de Romeinen naar voren?

I. ALGEMENE OPMERKINGEN

Na het schrijven van de Galaten-brief, maar nog tijdens zijn verblijf van drie maanden te Korinthe, schreef de apostel Paulus de grote Brief aan de Romeinen. Wij weten officieel bijna niets van de gemeente te Rome tijdens de apostolische periode. Het is “officieel” zelfs niet bekend wanneer en hoe zij is ontstaan. Volgens de Kerk van Rome zou Petrus de stichter zijn en als “bisschop” in Rome hebben gewoond. Maar deze bewering berust zuiver op traditie en is absoluut ongeloofwaardig. Als het waar was, dan zou Paulus toch in zijn Brief de groeten gedaan hebben aan zijn broeder en medeapostel.

Niettemin weet ook de traditie van de kerk van Rome dat “het oudste Christelijke kerk-gebouw op het Europese continent” dat van “Santa Pudentiana” in Rome is. Dat is opgericht boven het “huis van Pudens”, voluit: Rufus Pudens Pudentius. Uit de Bijbel kennen wij deze Pudens, die gehuwd was met Claudia, de zuster van Linus (2 Timotheüs 4:21). Onder de naam “Rufus de uitverkorene (“eklektos”)” wordt hij door Paulus gegroet in Romeinen 16:13. Claudia en Linus waren kinderen van Caradoc (Caratacus), de koning der Britten, die met een deel van zijn familie gedurende zeven jaren de gevangene was van keizer Claudius in Rome. 

De geschiedenis vertelt (“legend has it”) dat deze familie deels reeds tot geloof was gekomen in Brittannië en het andere deel kwam tot geloof tijdens de gevangenschap (“custodia libera” = “vrije gevangenschap”) in Rome. Bij zijn terugkeer naar Brittannië liet Caradoc zijn “Palatium Brittannicum” (Britse Paleis) na aan zijn dochter en schoonzoon (“huis van Pudens”) die het weer nalieten aan hun dochter Pudentiana (“kerk van Pudentiana”). De geschiedenis van deze familie is welbekend. En als we Petrus niet meerekenen was Linus – de Britse prins – officieel “de eerste bisschop van Rome”. Pudentiana en Prassede, de twee dochters van Pudens en Claudia, zijn waarschijnlijk de uitverkoren (“eklektos”) vrouwe en haar zuster uit de tweede brief van Johannes.

Doordat de kerk van Rome het primaat toeschrijft aan Petrus is deze geschiedenis helaas naar de achtergrond verdrongen. En nog meer naar de achtergrond is het historische feit dat Brittannië overeenkomt met Brit-Am (verbond-volk) uit Jesaja 42:6 en 49:8, en als verbondsvolk beschouwd moet worden als de erfgenaam van het 10-stammenrijk van Israël! 

De bekende algemene gedachte is terecht, dat deze brief bezorgd is aan een plaatselijke gemeente van “gelovigen uit de heidenen”. Daarvoor zijn twee zwaarwegende argumenten:

  1. Paulus geeft opdracht om zijn groet over te brengen aan Priscilla en Aquila, een leidinggevend echtpaar onder de gelovigen, die wij uitdrukkelijk kennen als van Joodse afkomst (Handelingen 18:2, 26), maar blijkbaar niet rechtstreeks behorend tot de geadresseerden.
  2. Paulus richt zich in deze brief uitdrukkelijk “tot u, heidenen” (Romeinen 11:13).

1. De inhoud van de Brief

Het thema van deze Brief wordt aangegeven door de sleutelverzen 1:16, 17. “Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”

De Brief houdt zich daarom niet bezig met de openbaring van de bijzondere positie van de Gemeente, zoals de Efeze-brief; noch met het gemeentelijk leven en de gemeentelijke orde, zoals de Korinthe-brieven, maar met de verklaring van het Evangelie in betrekking tot de persoonlijke verlossing, zegen en levenshouding. De Gemeente wordt dan ook slechts één keer genoemd (16:23). 

Het feit dat er zoveel Joden woonden in Rome, leidde tot de invoering van de grote “tussenzin” hoofdstukken 9, 10 en 11, die terecht genoemd wordt de “theodicae” (God is rechtvaardig). In deze drie hoofdstukken wordt God gerechtvaardigd, wat betreft Zijn handelwijze met Israël in deze tegenwoordige tijd en worden de heidenen onderricht over hun eigen positie ten opzichte van de Joden en wordt hun tevens verklaard dat God Zijn volk in het heden niet heeft verworpen, en dat in de toekomst zelfs “geheel Israël zalig zal worden”; betrekking hebbend op de beide huizen van Israël. Kort samengevat kunnen wij zeggen dat de Romeinen-brief:

  1. Het Evangelie verklaart, illustreert en verdedigt;
  2. Het Evangelie toepast als zegen voor elke gelovige persoonlijk, hetzij Jood of Griek;
  3. De gelovigen uit de heidenen onderwijst omtrent hun verhouding tot de Joden;
  4. De beginselen aangeeft die het leven van de Christen beheersen.

2. De aanleiding tot het schrijven van de Brief

De aanleiding tot het schrijven van de Brief kunnen wij opmaken uit 1:8-13 en 15:14-33. Hij had er al jaren naar verlangd om de gelovigen in Rome te bezoeken en nu scheen die hoop spoedig in vervulling te zullen gaan. Hij stond op het punt naar Jeruzalem te vertrekken, om daar de gaven van de heidense gemeenten ten behoeve van de arme Joodse heiligen af te dragen. Daarna was hij van plan naar Spanje te gaan. Die reis zou hem de lang begeerde gelegenheid geven de heiligen in Rome te bezoeken, om hen met geestelijke gaven te dienen en om zijn schuld aan Rome te vereffenen, door ook daar het Evangelie te verkondigen. Natuurlijk had de apostel behoefte vóór zijn komst de aan hem geopenbaarde en door hem gepredikte heilswaarheden te ontvouwen.

De gelovige Romeinen hadden waarschijnlijk vernomen van de ernstige meningsverschillen tussen Paulus en de Judaïstische leraars, en daarom wilde de apostel hen tevoren inlichten over zijn standpunt. Een gunstige omstandigheid was daarbij dat er juist een betrouwbare boodschapper beschikbaar was in de persoon van Febe, een dienares van de gemeente te Kenchrea, die op weg was naar Rome.

Dit waren de natuurlijke aanleidingen van deze grote Brief. Maar laten wij vooral niet vergeten dat de Heilige Geest de werkelijke auteur van de Romeinen-brief is. Hij heeft de pen van de apostel bestuurd. Hij wist wat deze trouwe dienstknecht van Christus te wachten stond en dat hij voor lange tijd beroofd zou worden van de gunstige omstandigheden, die zo nodig waren voor het schrijven van zulk een Brief.

II. INDELING VAN DE BRIEF

De hoofdindeling van de Romeinen-brief ligt zo voor de hand, dat die zelfs voor de oppervlakkige lezer duidelijk is. Laten we goed in het oog houden dat het thema, waar alles om draait, is: Het Evangelie van Gods rechtvaardigheid, geopenbaard aan alle mensen, zowel Joden als Heidenen, slechts op voorwaarde van geloof in Jezus Christus. Dit onderwerp wordt – de inleiding en het thema (1:1-17) daargelaten – uiteengezet in de volgende zeven delen:

  1. De gehele wereld voor God strafwaardig – 1:18-3:20
  2. Rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus; het Evangelie, de genoegdoening voor menselijke schuld – 3:21-5:11
  3. Het gekruisigd en opgewekt zijn met Christus – 5:12-8:13
  4. De volle zegen van het Evangelie – 8:14-39
  5. De Gemeente en Israël – 9:1-11:36
  6. Leven en dienst van Christenen – 12:1-15:13
  7. De openbaring van de Christelijke liefde – 15:14-16:27

Deel 1: De hele wereld voor God strafwaardig (1:18-3:20)

Bij de bestudering hiervan moet men goed in het oog houden op welke grond de vier klassen, waarin de apostel de mensheid verdeelt, veroordeeld worden. Dat is niet om de zonde als zodanig, maar om de zonde in verhouding tot het licht dat men heeft ontvangen.

“Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, (als) die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden” (1:18). (Het woordje “als” staat niet in de grondtekst; de tekst beschrijft de algemene positie van de gehele mensheid!)

Deze oordeelsmaatstaf legt de apostel aan bij de vier soorten van mensen. Hierdoor valt dit punt in vier delen uiteen:

  1. Het atheïsme veroordeeld, omdat het bestaan van God bewezen is uit de zichtbare schepping (1:19, 20).
  2. De afgoderij veroordeeld, omdat men zich willens en wetens afgekeerd had van Hem, die men eens kende als de enige ware God en de afschuwelijke gevolgen daarvan (1:21-32).
  3. De ethische zedenleraars (heidense filosofen) veroordeeld, die – hoewel zij de dwaasheid van de afgoderij en het geestelijk karakter van het Opperwezen onderkennen – aan het licht dat zij ontvangen hebben toch niet gehoorzaam zijn (2:1-16).
  4. De Jood, de bevoorrechte mens, die de bewaarder is van de uitspraken Gods, wordt veroordeeld juist door de wet, waar hij zich op beroemt, maar die hij heeft overtreden (2:17-3:8).

Deel 2: Rechtvaardiging door het geloof in de gekruisigde Christus; het Evangelie de genoegdoening voor de menselijke schuld (3:21-5:11).

Dit punt bestaat uit drie delen (aangeduid met A. B. en C.)

A. De leer van de rechtvaardiging door het geloof, zonder de wet, uiteengezet (3:21-31). Hier vinden we de kern van het Evangelie. Daarom moeten we ons er met veel aandacht in verdiepen. Vier belangrijke woorden vereisen daarbij nadere uitleg: rechtvaardigheid, rechtvaardiging, geloof en verzoening.

RECHTVAARDIGHEID

Rechtvaardigheid wordt op drie verschillende wijzen gebruikt in de Schrift:

  1. Eigengerechtigheid, d.w.z. doen wat de wet eist. Dit betekent niet volmaakte gehoorzaamheid aan de morele wet. Want niemand heeft de wet kunnen volbrengen. Maar het bestaat in het nauwgezet brengen van de offers en het in acht nemen van de inzettingen van de ceremoniële wet (Lukas 18:9-14; Filippenzen 3:4-9; Hebreeën 9:9, 10).
  2. De rechtvaardigheid Gods. Dit is een hoofdthema in de Romeinen-brief en betekent niet Gods eigen rechtvaardige karakter en optreden, maar die gerechtigheid, zoals die in Christus is geopenbaard, toegerekend aan de gelovige zondaar.
    Onder de wet eist God rechtvaardigheid van de mens, onder de genade geeft hij rechtvaardigheid aan de mens. Misschien werken de volgende definities verhelderend. De rechtvaardigheid Gods is:
    • Die rechtvaardigheid, welke Gods gerechtigheid van hem vereist, dát Hij ze eist.” (Cunningham)
    • “Die rechtvaardigheid, die God Zelf in het leven geroepen heeft; waarvan Hij Zich bedient; die Zijn goedkeuring kan wegdragen.” (Hodge)
    • “Die rechtvaardigheid, die de Vader eist, de Zoon verworven heeft, waarvan de Heilige Geest overtuigt, en het geloof ons verzekert.” (Brookes)
    • “De totaalsom van alles wat God ons opdraagt, van ons vraagt en bevestigt, terwijl Hij er Zelf in voorziet. (Moorehead)
    • Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid …” (Paulus in 1 Korinthe 1:30)
  1. Rechtvaardigheid wordt ook gebruikt voor het veranderde gemoed van de gelovigen (Romeinen 8:4; 1 Korinthe 15:34; Filippenzen 1:11, enz.).

RECHTVAARDIGING

Rechtvaardiging is het resultaat van die handelwijze van God, die elke zondaar die in Christus gelooft, garandeert te bezitten al wat Christus is in Persoon, karakter en werk. Dit heet “toerekening”. Deze is niet in strijd met Gods rechtvaardigheid, omdat Christus Zich reeds met de zondaar heeft vereenzelvigd door – als Losser – diens aansprakelijkheid op Zich te nemen en te voldoen aan Gods wet.

GELOOF

Geloof is vol vertrouwen Christus in alles aanvaarden, wat God over Hem heeft meegedeeld (Johannes 3:34; 1 Johannes 5:9, 10). Definitie van geloof is: Vertrouwen in het mede-gedeelde. Geloof in het door God geopenbaarde!

VERZOENING

Dit woord is de vertaling van een Grieks woord (hilasterion), dat in de Septuaginta (de vertaling van het Oude Testament in het Grieks) en door de schrijvers van het Nieuwe Testament gebruikt wordt voor het “verzoendeksel”, maar dat ook wel vertaald wordt met “genadetroon” (vertaling van Darby “mercy-seat”, Romeinen 3:25, n.a.v. Hebreeën 4:16) Exodus 25:17, 18, 21; Hebreeën 9:5, enz.

Op dit verzoendeksel werd op de Grote Verzoendag het bloed gesprenkeld – Leviticus 16:14. De gedachte is niet dat God gunstig gestemd moet worden door het storten van het offerbloed, maar in tegendeel bewees het offerbloed dat de zondaar zich boog voor het rechtvaardig oordeel van Gods heilige wet, zodat God zowel rechtvaardig als genadig kon zijn voor de zondaar. Het geloof van de zondaar behelst “geloof in Zijn bloed” (Romeinen 3:25); dat wil zeggen: geloof in Christus als “het Lam van God”, “staande als geslacht” (Openbaring 5:6), dat Zichzelf vrijwillig geofferd heeft in plaats van de zondaar, om aan Gods heilige wet te voldoen. Het werk van Christus stelt God in staat rechtvaardig te zijn “ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof van Jezus is”. (Romeinen 3:26b).

B. De leer van de rechtvaardiging door het geloof, geïllustreerd door de voorbeelden van Abraham en David.

Bij de bestudering hiervan moeten we goed tot ons door laten dringen, dat de zekerheid van de rechtvaardiging is door het geloof, en wel een geloof dat niets met de wet te maken heeft. De voorbeelden laten dat zien. Abraham werd gerechtvaardigd door een geloofsdaad, eeuwen vóór de wetgeving en minstens veertien jaar vóór de instelling van de besnijdenis. Hij werd dus gerechtvaardigd zonder zich te behoeven bekommeren over wet of besnijdenis. David daarentegen, die onder de wet leefde, maar deze op de meest stuitende wijze had overtreden, is eveneens gerechtvaardigd, en zeer zeker zonder werken. Wij merken hierbij op dat Abraham niet alleen als voorbeeld dient van de rechtvaardiging door het geloof zonder wetsverdienste, maar ook om te laten zien op welke wijze hij geloofde tot rechtvaardigheid. Hij gaf God de eer, “in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen” (4:16-21) 

Wij geloven dat God gedaan heeft, wat Hij beloofde te zullen doen (4:23-25). In beide gevallen gaat het om een geloof in iets bovennatuurlijks. Als we niet geloven dat Jezus stierf voor onze zonden, en opgewekt is voor onze rechtvaardiging, dan blijft ons geloof hopeloos in gebreke. Door zulk een geloof kunnen we niet behouden worden.

C. De gezegende resultaten van het geloof (5:1-11), zeven in getal.

De rechtvaardiging door het geloof verschaft ons:

  1. Vrede met God – (vs.1).
  2. Wij staan in de genade – (vs.2).
  3. Roemen in de hoop der heerlijkheid Gods – (vs.2).
  4. Roemen in de verdrukking, wetend dat de verdrukking volharding werkt – (3).
  5. De liefde Gods in onze harten uitgestort door de Heilige Geest – (vs.5).
  6. De Heilige Geest is ons gegeven – (vs.5)
  7. In plaats van schuldgevoel en vrees, roemen in God – (vs.9, 11).