Les 78 – De eerste Brief aan de Hebreeën

Les 78 – DE BRIEF AAN DE HEBREEËN

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 78)

  1. Wie was de schrijver van deze Brief?
  2. Wanneer is hij geschreven?
  3. Vóór welke historische gebeurtenis is deze Brief geschreven?
  4. Welke tekst bewijst de waarheid van uw laatste antwoord?
  5. Aan wie is deze Brief gericht?
  6. In welk speciaal gevaar verkeerden de Joden na de komst van het Christendom?
  7. Waarom zijn er in deze Brief telkens waarschuwende inlassingen aangebracht?
  8. Welk algemeen onderscheid is er tussen de Brief aan de Hebreeën en de Brieven van Paulus?
  9. Noem uit het hoofd de ambten van Christus, vermeld in deze Brief.
  10. Wat is het centrale leerstuk in deze Brief?
  11. Wat is het sleutelwoord en wat is de sleutelzin?
  12. Waarom is 10:19 de sleutelzin?
  13. In welke opzichten is Christus “beter” dan de dingen van het Oude Testament?
  14. In welke zeven opzichten is Christus ver verheven boven alles volgens 1:2, 3?
  15. In welke teksten van de Hebreeën wordt Christus verklaard te zijn “gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge”?
  16. In welk opzicht is Christus “uitnemender” dan de engelen?
  17. Welke Schriftplaatsen uit het Oude Testament worden in hoofdstuk 1 aangehaald betreffende de Godheid van Christus?
  18. Wordt Hij duidelijk God genoemd?
  19. Wat zegt deze Brief dat de engelen zijn?
  20. Welk “mens” wordt bedoeld in Psalm 8:4-6?
  21. Wat is er van deze voorzegging nog niet in vervulling gegaan?
  22. Wat zien we wél als vervuld?
  23. Welk doel had het offer van Christus volgens hoofdstuk 1?
  24. Wat heeft Hem bewogen “de dood te smaken”?
  25. Welk ander doel dan de verzoening had het lijden van Christus nog?
  26. Voor hoeveel mensen heeft Christus “de dood gesmaakt”?
  27. Zullen die dan alle tot de heerlijkheid van de zonen komen?
  28. Welk gevaar behandelt de eerste inlassing?
  29. Voor welke twee doeleinden is de Zoon van God in het vlees gekomen?
  30. Welke ervaringen van Christus als mens verzekeren ons van Zijn medeleven met onze zwakheden en beproevingen?
  31. In welke twee ambten moeten wij Christus beschouwen?
  32. Wat is de centrale gedachte van het apostelschap? (Markus 3:14, 15; Handelingen 9:15). 
  33. Wat is de centrale gedachte van het priesterschap? (Hebreeën 5:1, 2).
  34. Waarom wordt aan Christus meer eer waardig geacht dan aan Mozes?
  35. Van welk Schriftgedeelte in het Oude Testament is Hebreeën 3:7-11 een aanhaling?
  36. Wie wordt als de auteur van deze woorden genoemd?
  37. Op welk gevaar wordt in de tweede inlassing gewezen?
  38. Waarom konden de kinderen Israëls Kanaän niet binnengaan?
  39. Welke straf volgde op hun weigering om in te gaan?
  40. Hebben zij daarna niet meer de zorg en bescherming van God ontvangen?
  41. Waarvan is de rust in Kanaän een type?
  42. Heeft Jozua aan Israël geestelijke rust kunnen geven?
  43. In welk Schriftgedeelte, lang na Jozua, heeft God opnieuw rust beloofd?
  44. Wat is in de tweede inlassing de positieve voorwaarde tot het ingaan in de rust?
  45. Wat wordt als de negatieve voorwaarde genoemd?
  46. Welke eigenschappen en ambten schrijft hoofdstuk 4 toe aan het Woord van God?
  47. Waar is onze Hogepriester?
  48. Wie is onze Hogepriester?
  49. Welke uitwerking hebben onze zwakheden op onze Hogepriester?
  50. Welke ervaring had Hij met ons gemeen?
  51. In welk opzicht verschilden Zijn verzoekingen van de onze?
    N.B. De logische betekenis van “verzocht, doch zonder zonde” is, dat Hij niet bezweken is voor de verzoeking (Hebreeën 4:15). Een uitspraak over een zondeloze natuur vinden we daarentegen bijvoorbeeld in 2 Korinthe 5:21 “Dien, Die geen zonde gekend heeft …”
  52. Geef van 4:14, 15; 5:1-9; 9:11-14 een samenvatting m.b.t. Christus’ priesterschap, rekening houdend met de volgende bijzonderheden: 1. Zijn Persoon; 2. Zijn karakter; 3. Zijn plaats; 4. Zijn priesterlijk werk; 5. Zijn aanstelling; 6. Zijn voorspraak en 7. Zijn offer.
  53. Wat is het wezenlijk onderscheid tussen het hogepriesterschap naar de ordening van Melchizedek en naar de ordening van Aäron? (7:2, 23, 24)
  54. Waarom is Melchizedek een type van een onveranderlijk Priesterschap? (7:3)
  55. Waarom is hij een type van een groter priesterschap dan dat van Aäron?
  56. Welk oudtestamentisch Schriftgedeelte leerde dat er een Priester zou opstaan naar de ordening van Melchizedek?
  57. Kon de wet tot volmaaktheid leiden?
  58. Waarom wordt de wet in Romeinen 8:3 “krachteloos” genoemd?
  59. Was de wet in zichzelf zwak? (Romeinen 7:12, 14)
  60. Lees hoofdstuk 7 door en maak een lijstje op van de tegenstellingen tussen de priesters onder de wet en het priesterschap van Christus.
  61. Waartoe dienden de priesters onder de wet? (8:5)
  62. Waartoe werd Mozes door God vermaand, toen hij de tabernakel ging maken?
  63. Hoeveel keer wordt de tempel genoemd in deze Brief?
  64. Hoeveel keer de tabernakel?
  65. Wat hebben naar uw mening de laatste twee antwoorden te betekenen?
  66. Van wat in het Nieuwe Testament is de tempel een type?
  67. In welk opzicht is het Nieuwe Verbond “beter” dan het Oude?
  68. Heeft God in de belofte van het Nieuwe Verbond wijzigingen gemaakt op het Oude Verbond of op Juda en Israël?
  69. Waarvoor heeft God hen berispt? Waar schreef God Zijn wetten onder het Oude Verbond? Waar onder het Nieuwe? 
  70. Geef de zeven stellingen van het Nieuwe Verbond?
  71. Moeten de twee Verbonden tezamen blijven bestaan? (7:12 en 8:13)
  72. Beschrijf de tabernakel op uw eigen manier.
  73. Waar was de eerste voorhang en waar de tweede?
  74. In hoeveel ruimten was de tabernakel verdeeld? Hoe heetten die?
  75. Wat was de geestelijke betekenis van het tweede voorhangsel volgens Hebreeën 9? En wat volgens hoofdstuk 10?
  76. Waarvan was het “Heilige der heiligen” een type? 
  77. Wie mocht in het “Heilige der heiligen” binnengaan en hoe vaak?
  78. Welke uitwerking had het sterven van Christus op het tweede voorhangsel?
  79. Waar is de plaats van aanbidding en gemeenschap van de Christen?
  80. Welk recht heeft hij om in de tegenwoordigheid van God te komen?
  81. Wat konden de vele offers van het Judaïsme niet bewerken?
  82. Welke negen dingen die door het offer van Christus zijn tot stand gebracht, worden vermeld in de hoofdstukken 9 en 10?
  83. Wat verstaat u onder “dode werken”?
  84. In welke betekenis wordt het woord “geheiligd” gebruikt in hoofdstuk 10?
  85. Mocht een Jood, na het offer van Christus, voortgaan met de Joodse offers te brengen zich beroepende op oudtestamentische beloften? (10:26)
  86. Is er een offer mogelijk voor hem die de Zoon van God en Zijn bloed verwerpt?
  87. Wat “blijft er over” voor hem, die de kennis der waarheid heeft ontvangen en die toch de Zoon, het Bloed, het Verbond en de Geest verwerpt?
  88. Wat zou God voor zo iemand kunnen doen wat Hij nog niet gedaan heeft?
  89. Waaruit leven de gerechtvaardigden?
  90. Wat ontbreekt hen die “zich onttrekken”?
  91. Behoren zij die geloven tot dezelfde klasse als zij die zich onttrekken?
  92. Wat is het geloof volgens 11:1?
  93. Wat heeft Abel door het geloof gedaan?
  94. Waarom was zijn offer “meerder” dan dat van Kaïn?
  95. Heeft God getuigenis gegeven over Abels karakter of over zijn offer?
  96. Is het voor een ongelovige mogelijk “Gode te behagen”?
  97. Welke vijf dingen heeft Abraham door het geloof gedaan?
  98. Hebben sommige mensen uit Hebreeën 11 hun geloof verloren voor zij stierven?
  99. Welke drie stappen geeft 11:13 aan betreffende de beloften?
  100. Waarom keerden de mannen van het geloof niet terug naar “het vaderland, dat zij verlaten hadden”?
  101. Welk voorbeeld geeft hoofdstuk 11 van bovennatuurlijke werking in antwoord op het geloof? (Bijvoorbeeld van geloof in de opstanding)
  102. Van geloof voor de toekomst? (11:20)
  103. Van geloof tot het “weigeren van de zonde te genieten”? (vs.25)
  104. Van geloof in de verlossing door het bloed?
  105. Van geloof tot het verrichten van kloeke daden?
  106. Welke betrekking tot ons geloof heeft Jezus?
  107. Van welke betrekking tot God is tuchtiging een bewijs?
  108. Welk doel heeft God met de tuchtiging van Zijn kinderen?
  109. Welke verschrikkelijke waarschuwing wordt er gegeven betreffende de “genade Gods”?
  110. Geef een verklaring van 12:17.
  111. Welke berg wordt bedoeld in 12:18?
  112. Waarvan is die berg een type?
  113. Welke plaats in de Brief aan de Galaten verklaart de betekenis van die berg?
  114. Komt de gelovige wel tot die berg?
  115. Wat is de betekenis van de berg Sion?
  116. Tot welke groep behoren de verlosten van deze bedeling?
  117. Welke zeven dingen worden aanbevolen in 13:1-9?
  118. Toen Israël in de woestijn dienst voor de tabernakel verrichtte, wat deed men toen met de lichamen van de dieren die op de Grote Verzoendag geofferd waren?
  119. Welke betekenis zal een Christen hechten aan 13:12, 13?
  120. Hebben de offers van 13:15, 16 iets te maken met de zonden van de gelovige?
  121. Noem de plaatsen die verwijzen naar de tweede komst van Christus.

1. ALGEMENE OPMERKINGEN

De “Brief aan de Hebreeën” kent geen adressering en ook geen ondertekening. Van de vroegste tijden af heeft men Paulus beschouwd als de schrijver, maar reeds even lang heeft men dit bestreden. Daar het boek het zelf niet noemt, is het wellicht beter de vraag naar het auteurschap hier onbeantwoord te laten. Slechts het laatste hoofdstuk Iijkt enigszins op een brief. 

Ook de titel “aan de Hebreeën” is zeer ongelukkig en zeker niet geïnspireerd. Feitelijk is dit boek een verhandeling over de profetische en typologische betekenis van de Mozaïsche “Grote verzoendag”. Met als strekking dat die vervuld is in de opgestane Christus. Sindsdien is het Nieuwe Verbond van kracht.

De aanleiding tot het schrijven van dit boek wordt niet vermeld en ook is er geen aanwijzing wanneer het geschreven is. Wel schijnt dit geweest te zijn vóór de verwoesting van de tempel, hetgeen afgeleid wordt uit 10:11: “een ieder priester staat wel alle dagen dienende” (in de oude vertaling wordt foutief “stond” gebruikt).

Uit de vermanende gedeelten blijkt het doel van het schrijven van de Brief, namelijk om de gelovigen die gevaar liepen terug te vallen in en onder de Mozaische wet, te onderrichten. Dit gevaar was reëel, daar de tempel en de priesterdienst bleven voortbestaan tot de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel in het jaar 70.

De leer van de Brief aan de Hebreeën is, dat het offer van Christus de Levitische offers door vervulling en plaatsvervanging heeft opgeheven en dat het gehele Mozaïsche stelsel door vervulling is beëindigd. Men zou dit boek een geïnspireerd commentaar op de “typen” kunnen noemen.

1. De methode

De methode van de schrijver is om stuk voor stuk de mooie dingen van de religie van het Oude Verbond (in Mozes en Aäron) te bespreken en te vervangen door de betere dingen van het Nieuwe Verbond in Christus.

De 14 betere dingen van het Nieuwe Verbond zijn:

1Hebreeën 1:4Zoon beter dan engelen (gedienstige geesten)kreitton
2Hebreeën 6:9Betere dingen – vergelijk Romeinen 15:14kreitton
3Hebreeën 7:19Betere hoopkreitton
4Hebreeën 7:22Beter verbond: Borgkreitton
5Hebreeën 8:6Betere bedieningdiaphoros
6Hebreeën 8:6Beter verbond: Middelaarkreitton
7Hebreeën 8:6Betere beloftenkreitton
8Hebreeën 9:10Betere tijddiorthosis
9Hebreeën 9:23Betere offerandenkreitton
10Hebreeën 10:34Beter en blijvend goed in de hemelenkreitton
11Hebreeën 11:16Beter en hemels vaderlandkreitton
12Hebreeën 11:35Betere opstandingkreitton
13Hebreeën 11:40Wat beters voor onskreitton
14Hebreeën 12:24Betere dingen gesproken door het bloed van Jezuskreitton

En dan nog:

Hebreeën 1, 2 – Christus is hoger dan de engelen
Hebreeën 3 – Christus is hoger dan Mozes
Hebreeën 4 – Christus is hoger dan Jozua
Hebreeën 5-7 – Christus is hoger dan Aäron
Hebreeën 8 – Nieuw Verbond is hoger dan Oud Verbond
Hebreeën 9, 10 – Christus’ offer is hoger dan de Levitische offers

Daarom is “beter” het sleutelwoord van dit boek, dat eigenlijk een reeks is van tegenstellingen tussen goed en beter, tussen schaduw en werkelijkheid, tussen type en anti-type, tussen profetie en vervulling.

Deze waarheden zijn niet specifiek en subjectief gerelateerd aan Joden, Hebreeën, Heidenen of Christenen. Deze waarheden liggen objectief vast in de positie van Jezus Christus sinds en op grond van zijn opstanding en verhoging tot in de hemel als Priester-Koning naar de ordening van Melchi-Zedek en “Koning van Salem” (Hebreeën 7:2).

2. Het doel

Het voornaamste doel van de schrijver was te wijzen op Christus als de Vervuller en Voleinder van het Mozaïsche systeem. Vooral de gelovigen uit de Joden liepen het gevaar het Christendom te aanvaarden zonder een volkomen Christus. Er waren heel wat sekten in het Judaïsme, zoals Farizeeën, Sadduceeën, Essenen, Herodianen, enz. en velen behoorden tot één van die sekten. Zij hadden niet als Paulus volkomen met het Judaïsme gebroken. Daarom was het gevaar groot dat zich onder deze blijde jonge gelovigen mensen zouden bevinden die Christus niet hadden aanvaard als Degene Die door één offerande allen geheiligd heeft die in Hem geloven (10:1-14).

Als oudtestamentische godsdienst was de Wet het voorhangsel waarachter God Zich verborg (Hebreeën 9:3-8). Eénmaal per jaar mocht op de Grote Verzoendag één Israëliet, de Hogepriester, het Heilige der heiligen binnengaan met het offerbloed, dat hij bracht voor zichzelf en voor de zonden van het volk. Toen Jezus stierf, scheurde het voorhangsel van boven naar beneden (Mattheüs 27:51): de weg tot het Heilige der heiligen was open voor iedere zondaar, die kwam door het bloed van Christus. Het was een “nieuwe en levende weg die Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel” (Hebreeën 10:20). Van dat ogenblik af werden al de Levitische ceremoniën, offers en priesterdiensten hinderpalen en struikelblokken.

De sleutelzin van de Hebreeën-brief is: “Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus” (Hebreeën 10:19).

Deze Brief demonstreert dat de oudtestamentische ceremoniën een vooruitwijzende betekenis hebben en dat het eenmalige offer van het lichaam van Christus zo volkomen de zonde-kwestie van de gelovige heeft opgelost, dat hij hierdoor “in eeuwigheid volmaakt” is (Hebreeën 10:14).