Les 84 – De derde Brief van Johannes

Les 84 – DE DERDE BRIEF VAN JOHANNES

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 84)

  1. In welk ambt schrijft Johannes?
  2. Welke strekking heeft deze Brief met betrekking tot het ontvangen van geld van ongelovigen voor het werk des Heren?
  1. Wat voor iemand was Diotrefes en wat heeft hij gedaan?

I. ALGEMENE OPMERKINGEN

Deze Derde Brief is geschreven door de oudste apostel Johannes (“de oudste”) aan een broeder, genaamd Gajus. Er wordt een Gajus genoemd in Handelingen 19:29; 20:4; Romeinen 16:23 en in 1 Korinthe 1:14. Maar wij kunnen onmogelijk zeggen of deze dezelfde is.

Johannes noemt hem de geliefde, die hij in waarheid liefhad (vs.1). Evenals in de voorgaande Brief legt hij de nadruk op de waarheid. Hij had van de broeders gehoord dat de waarheid in hem was en dat hij in de waarheid wandelde (vs.3). Hij verheugde zich daarin en verklaart: “Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen” (vs. 4).

En dat is niet alleen de blijdschap van de hoogbejaarde apostel, maar het is de blijdschap van de Heere. Hoe zeer moet het zijn hart verheugen, als Hij ziet, dat Zijn kinderen in de waarheid wandelen.

Dit “wandelen in de waarheid” van Gajus was openbaar geworden in de liefde, de gastvrijheid en de hulp die hij betoond had, niet alleen aan de broeders in zijn eigen woonplaats, maar ook aan de broeders, die “vreemdelingen” waren (vs.5). Deze laatsten waren dienstknechten van de Heere Jezus Christus, “uitgegaan ter wille van de Naam, zonder iets van de heidenen aan te nemen” (vs.7). In de prediking van het Evangelie en in de bediening van het Woord waren zij, wat hun stoffelijke behoeften betreft, geheel afhankelijk van de Heer. 

Nergens lezen wij in het Nieuwe Testament van een “gesalarieerde dienst”. Het gaan naar de wereld om steun voor het werk des Heeren, of het gebruiken van wereldse methoden, is in onze dagen een veelvoorkomend kwaad, lijnrecht in strijd met de beginselen van geloof en waarheid. Het werk des Heeren en de dienstknechten van Christus moet alleen gesteund worden door Gods volk en niet door niet-behouden mensen. 

Dus degenen die uitgaan om Zijns Naams wil, zonder iets van de heidenen aan te nemen, moeten worden ontvangen. En zij die hen ontvangen, hen helpen op hun reis, zoals Gajus deed, zijn “medearbeiders der waarheid” (vs.8). Dat is de ware gemeenschap in de waarheid, zoals Paulus verklaarde in Galaten 6:6: “En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.”

Het is in tegenstelling met wat de tweede Brief eiste; het niet ontvangen van hen die niet de leer van Christus brengen, een volledige scheiding van hen; maar hier is sprake van vereenzelviging met degenen die de waarheid kennen en deze onderwijzen. 

Welk een voortreffelijk beeld wordt ons van Gajus gegeven. 

Maar helaas, er is een andere zijde in deze Brief. Er was iemand, genaamd Diotrefes. Zijn naam betekent: “Gevoed door God”. Lees wat Johannes over hem schrijft (vs.9, 10).

Diotrefes is het schriftuurlijk voorbeeld van “clericalisme”. Er is geen werkelijke dienst, omdat er geen liefde is. Hij is de vertegenwoordiger van de geest, die de vrije werkzaamheid van de Heilige Geest verhindert. Diotrefes heeft maar één doel op het oog: “de eerste te zijn” (vs.9).

In dat streven verwerpt hij zelfs het apostolische gezag en heerst hij over zijn mede-gelovigen. Diotrefes wilde de leider van de gemeente zijn, een klein “pausje” dus! Deze eerzucht en eigenliefde en dit pogen om zijn positie te handhaven, bracht hem er zelfs toe broeders “uit de gemeente” te werpen en zelfs de apostel tegen te staan. Wat een ellende en schade hebben zulke jaloezie, eigenliefde, zelfzucht en zelfverheerlijking teweeggebracht in de Gemeente van Christus.

Waarom wilde Diotrefes zo graag “de eerste” zijn? Omdat hij, in tegenstelling tot de apostel en Gajus, niet in alle dingen aan de Heere Jezus Christus de eerste plaats gaf; hij wandelde niet in de waarheid. Als de Heer komt, zullen al deze dingen voor Zijn Rechterstoel aan het licht gebracht worden en door Hem worden beoordeeld.

Johannes belast ons niet met het droevig portret van Diotrefes. “Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Wie goed doet, is uit God, maar wie kwaad doet, heeft God niet gezien” (vs.11).

Dit is weer een van de toetsstenen, zoals wij die vinden in de Eerste Brief. Goeddoen is de actieve dienst van de liefde. God doet geen kwaad, maar Hij doet goed! Daarom, als wij als gelovigen in de waarheid goed doen, zijn wij uit God. En dan noemt de apostel Demetrius. Misschien was hij een van de dienstknechten die uitging om goed te doen, predikende de waarheid, en die niet door Diotrefes ontvangen werd. 

Wat een bemoediging, dat de Heilige Geest door Johannes’ Brief hem prijst en aanbeveelt (zie v.12). Dat moge tot troost zijn voor alle ware dienstknechten die wandelen in de waarheid.

II INDELING

De Brief beweegt zich rondom drie namen: Gajus, Diotrefes en Demetrius.

  1. Gajus – vers 1-8
    1. Wandelend in de waarheid (vers 1-4)
    2. Een mede-arbeider van de waarheid (vers 5-8)
  2. Diotrefes – vers 9-11
    1. Die de eerste zoekt te zijn
  3. Demetrius – vers 12
    1. Heeft “een goed getuigenis der waarheid”
  4. Afscheidsgroet – vers 13, 14


Naar Les 85 – De Brief van Judas