Les 85 – De Brief van Judas

Les 85 – DE BRIEF VAN JUDAS

VRAGEN VOOR ZELFSTUDIE (Les 85)

  1. Wie was Judas?
  2. Wat was Judas eigenlijk van plan geweest te schrijven?
  3. Waarom ging hij iets geheel anders schrijven?
  4. Welk licht werpt dit op de wijze van inspiratie?
  5. Wat wordt bedoeld met: “het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is”?
  6. Hoe bewijst Judas dat afval mogelijk is?
  7. Wat betekent: “natuurlijke mensen die de Geest niet hebben”?
  8. Waarom zijn natuurlijke mensen niet in staat om de geestelijke bedoeling van de Schrift te begrijpen?
  9. Kan grote geleerdheid niet in de plaats komen voor de Geest bij de uitlegging van de Schrift?
  10. Wat betekenen de volgende uitdrukkingen:
    1. verwerpen wat heerschappij heet;
    2. in hetgeen zij van nature weten, ligt hun verderf;
    3. de weg van Kaïn;
    4. de verleiding van het loon van Bileam;
    5. de tegenspreking van Korach?

11) Wie was Henoch?

12) Wat hebben de apostelen van Jezus Christus voorzegd over de laatste tijd?

13) Welke zeven dingen worden in de verzen 20-23 in verband gebracht met de gelovigen?

14) Wat kan Christus doen? (vs. 24).


I. ALGEMENE OPMERKINGEN

De schrijver

De schrijver noemt zichzelf “Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus” (vs.1). Het Nieuwe Testament kent meerdere discipelen van Jezus met diezelfde naam. Door welke Judas werd deze brief geschreven? Zeker niet door de “apostel” Judas Taddeüs, daar de schrijver van de brief zichzelf duidelijk stelt náást de apostelen (vs.17). Het lijkt daarom duidelijk dat deze Judas, die van zichzelf gewoon spreekt als “een dienstknecht van Jezus Christus” een broeder van Jezus was (Mattheüs 13:55; Markus  6:3).

Wij weten dat deze man, die aanvankelijk evenals zijn broers ongelovig was (Johannes 7:5), later Christen geworden is (Handelingen 1:14). Uit 1 Korinthe 9:5 weten wij dat hij gehuwd was en de Gemeente als reizend prediker of zendeling diende. Dat hij zelf stilzwijgend voorbijgaat aan zijn verwantschap met Jezus, is te verklaren uit schroom en heilige eerbied.

In het algemeen spreekt zijn brief over de komst van Christus om de gehele aarde te oordelen (Handelingen 17:31) en komt in zeer hoge mate overeen met de tweede brief van de apostel Petrus. Hier moeten wij hetzelfde concluderen als bij de brief van Jakobus, de andere broeder des Heeren: Paulus en Petrus spraken met apostolisch gezag en hun woorden worden alsnog bevestigd door het gezag van Jakobus en Judas als leden en erfgenamen van het Davidische koningshuis.

De brief

Deze korte Brief die gericht is aan alle ware gelovigen, is bij de rangschikking van de “canon” als de laatste in de rij van zendbrieven geplaatst. Dit is zijn juiste plaats. Deze Brief beschouwt namelijk profetisch het laatste gedeelte van de laatste dagen en vormt een geschikte inleiding tot de Openbaring, dat de slotfase beschrijft van het afvallige Christen-dom onder het “beest”, nadat alle ware gelovigen zijn opgenomen de Heere tegemoet in de lucht (1 Thessalonicenzen 4:17).

Als wij alle aanduidingen betreffende de grote afval, die in de voorgaande Brieven beschreven zijn, nog eens bezien, dan ontdekken wij dat elke vorm van beginnend kwaad, dat in die Brieven wordt aangeduid, in de Brief van Judas beschreven wordt in zijn volle ontwikkeling. Dit is van groot belang voor ieder die wenst te wandelen naar de wil van God. En daarom: Wij zijn niet bevoegd om met ons eigen verstand te beoordelen of een beginnend kwaad al dan niet ernstig is. Wij denken soms, dat een bepaalde dwaalleer van weinig betekenis is. Bijbelse uitspraken als in Galaten 1:6-9 en in 2 Johannes :10 vinden wij misschien ruw en onvriendelijk. Maar de Heilige Geest ziet het eindresultaat van valse leer en waarschuwt tegen het begin.

U moet wel bedenken dat de ernstige waarschuwingen van deze grootmoedige en liefhebbende apostelen niet gericht zijn tegen onwetendheid betreffende de waarheid, noch tegen die dwalingen die ontstaan door te veel de nadruk te leggen op een bepaald deel van de waarheid. De waarschuwingen en veroordelingen hebben alle betrekking op waarheden, zonder welke er geen Evangelie en geen Christendom meer overblijft. In het algemeen hebben die dwalingen altijd te maken met de leer der verzoening of met de Persoon van Christus.

U zult wel opgemerkt hebben dat Judas het ontstaan van deze Brief uitlegt; hij wilde eigen-lijk een Evangelie-Brief schrijven, maar hij werd genoodzaakt te schrijven hetgeen volgt. Het is niet Judas die schrijft, maar de Heilige Geest. En wat hij schrijft is hoogst ernstig.

II. INDELING EN ANALYSE

Deel 1 – Inleiding – vers 1-3

De Brief is gericht tot elke gelovige persoonlijk, waar hij of zij zich ook moge bevinden. De uitdrukking “geheiligd” betekent: “afgezonderd voor de dienst aan God” en de uitdrukking “door Jezus Christus bewaard” geeft dezelfde gedachte weer van Johannes 17:11, namelijk dat onze zekerheid niet afhankelijk is van onze trouw aan God, maar van het vertrouwen van de Vader in Zijn Zoon. Vers 3 is bijzonder belangrijk. Er is aan de gelovigen heel wat “waarheid” toevertrouwd. Terwijl Paulus ons vermaant om de waarheid “vast te houden” (Titus 1:9), gaat Judas verder en vermaant ons te “strijden” voor het geloof. Dus, wanneer de geopenbaarde waarheid wordt aangevallen, dan kan een gehoorzaam Christen niet neutraal blijven.

Deel II – Afval is mogelijk – vers 5-7

Deel III- Beschrijving van de afvallige leraars – vers 8-19

Wij zullen Judas’ vurige bestrijding van deze valse leraars beter begrijpen, als wij eerst vers 19 lezen: “natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben”. Paulus zegt het zó in 1 Korinthe 2:14: “Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hen dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.” 

De afvallige leraars zijn slechts belijders; niet wedergeboren en zonder de Heilige Geest. Zijn ernstige waarschuwingen zijn in de kerkgeschiedenis duidelijk bevestigd. Het grootste kwaad is het ware Christendom niet aangedaan door vervolgers of atheïsten, maar door leraars die wel een uitwendige belijdenis hadden, maar die de Geest niet bezaten.

Het eerste kenmerk van zulke leraars is, dat zij het gezag verachten. Niet dat zij weigeren het gezag te erkennen van geloofsbelijdenissen of theologen, maar zij verwerpen het beginsel van het gezag en de autoriteit van de Heilige Schrift.

Het tweede kenmerk is, dat zij die dingen in de godsdienst, die de natuurlijke mens kan begrijpen – zoals bijv. de ethiek – verdraaien of bederven. Een natuurlijk mens kan hoge zedelijke beginselen best begrijpen, maar hij kan ze niet volbrengen. Hij heeft dus de neiging die beginselen te verlagen en aan te passen aan zijn vermogens.

Het derde kenmerk is, dat zij de weg gaan van Kain. Kain was godsdienstig, maar hij maakte zijn eigen godsdienst. Hij bracht ook een offer, maar het was “met geloof niet gemengd” (Hebreeën 4:2), het was niet “door het geloof” (Hebreeën 11:4). Hij verwierp het gezag van het Woord van God! En hij verwierp de verzoening. De natuurlijke mens kan de schoonheid en volmaaktheid van het verzoeningswerk van Christus niet begrijpen, zoals het enerzijds door de typen en anderzijds door de apostelen is belicht. Wordt hij als theoloog verplicht het te verklaren, dan verklaart hij het weg. Het kruis wordt dan vervangen door gezindheid, als hetgeen dat verlossing brengt. Er wordt meer nadruk gelegd op berouw dan op geloof.

Een vierde kenmerk is, dat zij “voor de verleiding van een Bileamsloon zijn bezweken” (zie les 78). Het loon behoeft geen geld te zijn, het kan invloed of populariteit zijn. Het vijfde kenmerk is “het verzet van Korach” (Numeri 10). De zonde van Korach was drievoudig:

  1. verzet tegen het rechtmatig gezag;
  2. speciaal verzet tegen het gezag van Mozes;
  3. het zich aanmatigen van de rechten der priesters.

In de verzen 12 en 13 wordt ons een schrille beschrijving gegeven van het karakter en de invloed van deze mensen.

Zij “weiden” zichzelf, terwijl de goede herder de schapen weidt (Ezechiël 34:2). Zij zijn “wolken die geen water geven”, namelijk onvruchtbaar en nutteloos. “Zij worden van de winden omgedreven”, d.w.z. zij zijn veranderlijk, onstandvastig (Efeze 4:14). Zij zijn “bomen die geen vrucht geven”. Zij mogen een groot gehoor bereiken en het mag schijnen dat zij heel wat doen, maar het is niet blijvend (Johannes 15:16).

In het bijzonder wijzen wij u nog op vs. 16. Wel moeten wij bij de verklaring van al de bijzonderheden van de verzen 12-16 bedenken dat Judas de valse leraars beschrijft, zoals God hen ziet. “Wolken” kunnen soms heel mooi zijn en “baren der zee” zeer indrukwekkend. “Hun mond spreekt hoogdravend” (vs. 16). Dit zal mogelijk de omschrijving zijn van wat wij “buitengewone welsprekendheid” noemen.

De profetie van Henoch wordt in het Oude Testament niet vermeld. Henoch leefde vóór de zondvloed, toen de boosheid der wereld al zeer groot en het verschrikkelijke oordeel op handen was. Hij heeft de toenmalige mensheid ongetwijfeld gewaarschuwd, maar is het niet bijzonder merkwaardig, dat hij de wederkomst van Christus heeft voorzegd? (vs. 14).

Deel IV – De gelovigen bemoedigd en getroost – vers 20-25



Naar Les 86 – De openbaring van Johannes