Eucharius, Valerius, en Maternus
Eucharius, Valerius, en Maternus waren leerlingen van de apostel Petrus, en vergezelden hem op zijn zendingsreizen. Vanuit Rome (waar Petrus zichzelf nooit tot bisschop heeft benoemd) zijn de drie predikers richting de Lage Landen getrokken om met name het Evangelie te prediken aan Galliërs, oftewel Galaten, die wij ook kennen als Kelten en als Gallische stammen.

Na een barre tocht over de Elzas komen ze in Trier. Ze krijgen onderdak bij een weduwe, genoemd Albana, en verrichten hun zendingsactiviteiten vanuit haar huis. Velen aanvaardden het Evangelie en verlieten de afgoderij. Dat betekent dat die “velen” de drie predikers, gezonden door de apostel Petrus, die op zijn beurt weer direct en persoonlijk gezonden werd door de Here Jezus, erkend moeten hebben als gezanten van God. Daardoor konden zij hun boodschap geloven van de overwinning op de dood, door het verlossingswerk en de opstanding van de Here Jezus.
De tweede opstanding van Maternus
De persoonlijke ervaring van Maternus, de jongeling van Naïn, moet geholpen hebben bij die Evangelieprediking. En wellicht – als dit waar is – was ook zijn “tweede opstanding” het wonder dat bevestigde dat God Zelf met deze drie dienstknechten van Christus was. Dat is namelijk het verhaal van wat bestempeld wordt als een “legende”. Of het helemaal waar is, een beetje waar is, of helemaal niet, is vervolgens de keuze waarvoor we staan als we zo’n geschiedenis lezen.
Aangezien het niet in de Bijbel staat, is de waarheid van de wonderbaarlijke geschiedenis van Maternus op die wijze niet met zekerheid vast te stellen. Maar persoonlijk denk ik dat in ieder geval de hoofdgedachte waar kán zijn, en meer kan ik daar niet van maken. Het verhaal is namelijk nog onderdeel van de “apostolische tijd”, d.w.z. de tijd dat “het volmaakte nog niet gekomen is”, zoals Paulus uitlegt in Efeze 2. Daar wees hij op de toen nog toekomstige versie van de complete Bijbel, zoals we die nu kennen.
Wonderen die als teken dienen
Tot die tijd liet God Zijn arbeiders in het werk des Heeren bij gelegenheid (al weten we daar weinig van) vergezeld gaan met wonderen, die als teken dienden dat men in dienst van God stond. Dat is te begrijpen, want iedereen kon wel met een verhaal komen en zeggen: wij zijn door God gestuurd. Dan is het wel fijn als de “Werkgever” een soort van “geloofsbrieven” meestuurt. Wonderen maakten daar bij gelegenheid deel van uit.
Toen wel, maar dat zou – ook weer uitgelegd door de apostel Paulus – ophouden als die Bijbel volledig zou zijn en het beginwerk van de apostelen, als fundamentleggers van de Gemeente (Efeze 2), afgerond zou zijn. Sinds de tijd dat zowel Oude Testament als Nieuwe Testament in één Boek, de Bijbel, zijn samengebracht, worden dergelijke wonderen (tekenen) niet meer verricht door God via gelovigen. Die hebben immers inmiddels Zijn Woord tot hun beschikking gekregen.
Dat Woord spreekt volledig en compleet over Christus (de Zoon) en dat volstaat van Godswege. Daar hoeft niets meer aan toegevoegd te worden, ook niet door wonderen als tekenen van Gods aanwezigheid. Hebreeën 1 : 1:
God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;
De apostolische tijd
Kenmerk van die apostolische tijd was dat God het teken van de opstanding uit de dood alleen via de apostelen gaf. De apostelen hadden niet uit zichzelf de macht daartoe, maar God deed het – als teken – door die apostelen heen. Zie bijvoorbeeld de geschiedenis van Dorkas (Tabtiha) in Handelingen 9 : 36-41. Kennelijk ging dit wonder niet zomaar via de metgezellen en dienstknechten van de apostelen. Er moest op een of andere wijze een apostel bij betrokken zijn.
En dit is ook wat we tegenkomen in de geschiedenis van wat dan de tweede keer moet zijn dat de jongeling van Naïn, maar dan nu als Maternus, opgewekt werd uit de dood. De eerste keer is te vinden in Lukas 7. De tweede keer vinden we in de volgende legende.
Bijbelstudie “De jongeling van Naïn”
Voor de inhoudelijke behandeling van Lukas 7 : 11-17 zie de Bijbelstudie “Maternus – de jongeling van Naïn”, nr. 102 in de serie “De gedachte is …”.
